PREKEN van Marcel Heyndrikx SVD

BJAAR

Bjaar


De lijst met preken en de achtergrond worden niet mee afgedrukt.

Door het jaar 1-11

Door het jaar 1-11

4e ZONDAG DOOR HET JAAR (B)  -  31 januari en 1 februari 2009

Deuteronomium 18: 15-20.
Marcus 1 : 21 -28.

Zusters en broeders,

Een eerste minister, een secretaris-generaal van de Verenigde Naties, een bisschop of een paus, ze zullen waarschijnlijk wel meer dingen gemeenschappelijk hebben.  Maar één van die dingen is dit: ze hebben allemaal een woordvoerder, iemand die spreekt in hun naam.

Over zo iemand, over een woordvoerder, gaat het ook in de eerste lezing van vandaag.  Mozes deelt aan zijn volk mee dat God hem heeft beloofd: 'Ik zal uit hun broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt.  Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen, en hij zal hun alles zeggen wat ik hem opdraag'. (Deuteron.,18:18)

Dat is dus een profeet: iemand die het woord voert namens God.

Als woordvoerders van Israëls God, zo gingen die profeten mee doorheen Israëls geschiedenis.  Als het in Israël goed ging, en het volk de neiging had om God en zijn gebod te vergeten waarschuwden ze voor de gevolgen, dreigden ze met straffen.  Maar als het volk in zak en as zat, als bet volk het gevoel had dat alles verloren was, dan riepen ze op tot bekering, en ze beloofden namens God een nieuwe toekomst.  En altijd weer waarschuwden ze voor een godsdienst die zich wel om de tempel en de eredienst bekommerde, maar zich van de arme de weduwe en de wees niets aantrok.  Ze konden dan in naam van God dingen zeggen als: 'Ik walg van uw offers, ik lust ze niet meer'. (Jesaja 1 : 10-17).

'Zo spreekt de Heer': dat duidt .onveranderlijk de bodem aan waarop ze staan.

 

Toen Jezus van Nazareth in het openbaar begon op te treden, heeft het waarschijnlijk niet lang geduurd vooraleer er iemand zei: 'Die man, dat is een profeet'.  In de evangelies zijn daar sporen van te vinden.  Als men aan de blindgeborene die door Jezus werd genezen, vraagt wat hij denkt over de man die hem genezen heeft, dan zegt hij.  'Het is een profeet'. (Joh. 9:17)  En de vrouw aan de bron, de Samaritaanse, zegt: 'Heer, ik zie dat gij een profeet zijt'. (Joh. 4 : 19) Als Jezus, naar het einde van zijn leven toe, op een ezel in een soort triomftocht Jerusalem binnenrijdt, vraagt er iemand: 'Wie is dat eigenlijk?  En het volk antwoordt dan: 'Dat is de profeet Jezus, uit Nazareth'. (Mattheüs 21: 11)

Profeet: hij heeft er ongetwijfeld iets van.

Ze horen hem spreken van Godswege, dat doet een profeet ook.

Hij ontmaskert schijnvroomheid, vroomheid als dekmantel voor allerlei vormen van bedrog: dat zag je de profeten ook doen.  Hij neemt het op voor de arme, de weduwe en de wees - ook dat hoort tot de profetische traditie.  Zij noch hij kennen een dienst aan God zonder dienst aan de mens in moeilijkheden.

Profeet, jawel, en toch is hij iemand anders.

Je hoort hem bv zeggen dat hij, de mensenzoon, heer is van de sabbat. (Marcus 2 :28)  Geen profeet zou zo iets ooit hebben gezegd.

Hij stelt zich soms op tegenover de traditie 'Gij hebt gehoord dat er gezegd is - maar ik zeg u'. (Matt; 5: 21-22 ;31-32 ~ 33 -34)  Hij zegt niet zoals alle profeten: 'Zo spreekt de Heer'.  Hij zegt: 'Ik zeg u'.

Geen profeet heeft dat ooit in zijn hoofd gehaald.  Een profeet vervult een opdracht die van buitenaf komt, Jezus spreekt van binnenuit, vanuit een intieme verbondenheid met God.  Hij noemt God met een naam die door geen enkele profeet ooit is gebruikt: Hij noemt hem Abba, zoiets als papaatje. (Marcus 14 : 36).. Precies vanuit die intieme verbondenheid noemen zijn leerlingen hem uiteindelijk: 'Zoon van God'. (Matt; 16: 16)

Zo iemand hebben ze in hun ganse geschiedenis nog niet gezien.  Zonder misschien goed te beseffen wat ze zeiden, formuleerden de Farizeeën dat zo: 'Waar deze vandaan komt, weten wij niet'. (Joh; 9:2)

 

Hij is anders, anders dan alle anderen.  De mensen in de synagoge van Capharnaum merken dat.  Hij doet daar in hun synagoge twee dingen:

Hij preekt er en we weten waar hij het over had.  Hij kondigt de komst aan, de nabije komst van het koninkrijk van God.  Dat vermeldde Marcus al eerder. (Marcus 1 : 15)

Hjj toont ook dat dit Koninkrijk van God er nu aankomt: want hij drijft een duivel uit.  De duivel, de tegenstander, moet wijken voor de kracht van God die in hem aanwezig is.  Merkwaardig is dat die duivel hem tracht te overwinnen door zijn naam te noemen.  De duivel zegt: 'Ik weet wie gij zijt, gij zijt de heilige van God'. (Marcus 1 : 24)  Iemands naam kennen betekent in oude culturen macht hebben over hem.  Maar bij Jezus lukt dat niet: Jezus reageert: 'Zwijg stil en ga weg uit hem'. (Marcus 1 : 25).

En die dat zien en meemaken weten: Er komt een nieuwe tijd.

Wat dat voor die mensen betekende heeft Oosterhuis eens zo geformuleerd: 'Waar hij voorbijging werd het licht'. (1)

 

Ik denk dat dat nog altijd zo is.  Waar hij voorbijgaat, en waar mensen zich voor hem open stellen, daar wordt het licht.

Je kunt er de geschiedenis van 2000 jaar christendom op nakijken.  Wie hem in hun leven aanvaardden, wandelden in het licht en gaven het licht ook door.  Ze werden zelf mensen van het licht.  Grote lichten, kleine lichtjes, licht van telkens verschillende kleur.  Eindeloos gevarieerd.  Thomas More, de kanselier, is Theresia van Lisieux niet.  En van de kluizenaar Charles de Foucauld gaat een ander licht uit dan van Damiaan de Veuster.  Maar wellicht, altijd anders, altijd nieuw.  Onuitputtelijk.

Waar hij voorbij ging, werd het licht.  Waar hij voorbij gaat wordt het licht. 

Amen

 

Marcel Heyndrikx SVD

(1)       OOSTERHUIS H. : Verzameld liedboek. Kampen, Kok, 2004, p. 431.