A jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. (Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.)
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

23e ZONDAG DOOR HET JAAR (A)   -   4 en 5 september 1999

1e lezing: Ezechiël 33 : 7-9
Evangelie: Mattheüs 18 : 15-20

Zusters en Broeders,

Het evangelie van vandaag, over de broederlijke of zusterlijke terechtwijzing, heeft twee kanten.
Een voorkant en een achterkant.
1.    De voorkant is de heldere kant.
Bij dit stukje evangelie hoef je je niet af te vragen: Wat wordt er hier nu precies bedoeld?  Welke manier van spreken of welke beelden worden hier gebruikt?  Hoe verstonden de mensen in die tijd dat?  En hoe moeten wij dat nu verstaan?
Neen, de inhoud van dit evangelie is klaar en duidelijk.
"Nu spreekt gij onomwonden" zeggen Jezus' leerlingen op een bepaald moment tegen hem. (Joh. 16:29)  Dat zou je van deze tekst ook kunnen zeggen.  Zijn inhoud is duidelijk genoeg.
En er is nog iets wat duidelijk is.
Je hoeft je nl. ook niet af te vragen : Is dat tegenwoordig nog toepasselijk?  Kunnen wij daar nu nog iets mee doen?  Komen zo'n situaties waarin je iemand moet aanspreken over haar of zijn gedrag nog voor?
Iemand van wie je dat wellicht niet meteen zou verwachten heeft op die vraag een antwoord gegeven dat aan duidelijkheid evenmin te wensen over laat.
Louis Paul Boon eindigt zijn boek 'Mijn kleine oorlog' met deze zin: "Schop de mensen tot ze een geweten krijgen".
Ze schijnen er dus af en toe geen te hebben.  En dat kun je zomaar niet laten zitten, zegt Louis Paul Boon.
Dat is dus de voorkant van het evangelie van vandaag.
Het is duidelijk en het is nog praktisch ook.
2.    Maar dit evangelie heeft ook een achterkant.
Een schaduwkant.
Die komt naar voren als je er over begint na te denken.  Bv omdat je in de praktijk met zo'n geval geconfronteerd wordt.  Dan stuit je op de problemen die aan zo'n onderneming vastzitten.
Er zijn om te beginnen twee bezwaren die Louis Paul Boon zelf al heeft opgemerkt.
Hij moet van zijn eigen tekst geschrokken zijn.  Toen men hem er over aansprak, moet hij eens gereageerd hebben in deze zin: 'Die tekst is niet van mij".  En vanaf de tweede druk van dat boek is die zin ook geschrapt.
In een interview zegt Boon hierover:
(Ik citeer) : "Hoe ouder ge wordt, hoe meer ge ervaart dat ge bij het schoppen soms bij vergissing mensen een schop hebt gegeven die het helemaal niet verdienen.  Dat ge de verkeerde een schop hebt gegeven.  Daar voelt ge u zo verdrietig om dat ge zegt: "Voor dat ik nu nog schop kijk ik eerst wel drie keer om".
In datzelfde interview zegt Boon nog iets.  Van het christendom moest Boon niet veel hebben maar hij citeert in dit verband wel een zin uit het evangelie: "Wie van u zonder zonde is werpe de eerste steen".  En een beetje verder zegt hij : 'Op het einde is er nog een die ge een schop kunt geven en dat is uzelf.  Maar ge kunt er niet aan.  Ik kan mezelf geen schop geven'.
Dat zijn al twee bezwaren tegen een terechtwijzing van een ander.  Schop ik de verkeerde niet?  En wie ben ik zelf dat ik schoppen zou gaan uitdelen ?
Er zijn er overigens nog meer. Bv : Maak ik het allemaal nog niet erger?  Drijf ik de ander door mijn terechtwijzing niet in een hoek waardoor hij of zij nog agressiever gaat reageren?  En: Wat haal ik mezelf allemaal op mijn dak?
Die broederlijke vermaning -er zijn een hoop goede redenen dus om er niet aan te beginnen.  Bv de ander is toch oud en wijs genoeg om te weten wat hij of zij moet doen.  En toch blijven er situaties over waarin je iemand in de vernieling ziet gaan.  Of waarin je ziet dat iemand de anderen de vernieling indrijft.  En waarin je het gevoel overhoudt dat er iets moet worden gedaan, iets moet worden gezegd.
Je gevoel lijkt dan misschien een beetje op dat van die boer, die onder de oorlog een gewonde parachutist op zijn veld in een gracht had aangetroffen.  Hij had die man gered, en jaren later kwam die op bezoek bij hem.  Een journalist die er bij was vroeg aan de boer: "Wat was je eerste reactie toen je die man daar zo zag liggen?  En die boer zei: Het eerste wat door me heen ging was: Had hij daar maar niet gelegen."  Maar nu hij er lag, lag hij er voor mij.  Onontkoombaar.  Natuurlijk, je kunt er altijd omheen lopen.  Met een grote boog desnoods.  De priester en de leviet uit het verhaal van de barmhartige Samaritaan hebben dat voorgedaan.
Maar daar houd je dan eventueel wel een kater aan over.  
Broederlijke of zusterlijke terechtwijzing -dus toch maar doen, soms.  Voor de manier waarop bestaan er geen algemene regels.  Maar ik denk dat het leven zelf wel een aantal dingen hieromtrent heeft duidelijk gemaakt.
1.     Op de eerste plaats misschien dit: het is van belang WIE iets zegt.
De ene mens mag meer zeggen dan de ander.  Omdat hij of zij minder bedreigend is.  Omdat het vertrouwen van die twee in elkaar groter is.  Er zijn mensen van wie je iets kunt aanvaarden zonder dat je je vernederd voelt, of in je hemd gezet.
2.     Het is van belang WANNEER iets gezegd wordt.
Als iemand geïrriteerd rondloopt of heel intens met iets anders bezig is, dan is het niet het moment om haar of hem aan te spreken over iets dat verkeerd is.  De tijd is er dan niet voor en de sfeer is er dan niet naar.
3     Het is van belang HOE iets gezegd wordt.
Vragenderwijze bv kan men meer zeggen dan op een stellige manier.  Men kan bv vragen: Heb je jezelf nooit afgevraagd hoe die ander zich voelt als je dit doet of dat zegt?
Je kunt ook indirect aangeven dat je het met iemands gedrag niet eens bent.  Bv door te zeggen: "Ik zou mij daarbij toch niet goed voelen".
Soms ook zit er al een heel sterke correctie in je zwijgen.  Bv wanneer er instemming van je verwacht wordt.  Of wanneer je niet lacht, wanneer er om iets dat niet goed is algemeen gelachen wordt
De manier waarop een broederlijke of zusterlijke vermaning gebeurt is belangrijk en ze zal telkens weer opnieuw gevonden en soms zelfs uitgevonden moeten worden.
Het kan nooit de bedoeling zijn dat je er een gevoel van eigen voortreffelijkheid aan overhoudt in de aard van: "Ziezo, dat heb ik hem of haar toch maar eens goed gezegd".  Daar zit een houding onder van genieten van eigen voortreffelijkheid.  Dat is in het evangelie de houding van de Farizeeër.  En die komt er zoals bekend niet zo goed van af.
Het doel van de broederlijke of zusterlijke vermaning is altijd dat de ander zich van binnenuit vragen begint te stellen bij zijn of haar gedrag.  En op die manier wellicht in de gaten krijgt dat hij om zal moeten keren.  Dat is dan wat de bijbel bekering noemt, die gebeurt altijd van binnenuit.  Maar soms kan een ander daartoe iets bijdragen.  Dat is dan zoiets als geboortehulp.
Want hoe moeizaam en hoe delicaat zo'n broederlijke of zusterlijke terechtwijzing ook is er zit altijd een heel positief perspectief aan vast.  Het evangelie drukt dat zo uit: Als uw broeder of zuster naar u luistert, dan heb je hem of haar gewonnen.  Ge hebt hem dan gered.
Het is niet goed al te vaak of al te makkelijk te denken dat je iemand redden moet.
Maar het is misschien ook niet goed om het nooit te denken.  Amen

Marcel Heyndrikx SVD
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.