A jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. (Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.)
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

25e ZONDAG DOOR HET JAAR (A) - 20 en 21 september 2008. Jesaja 55 : 6 - 9. Mattheus 20 : 1 - 16. Zusters en broeders, I. Dat Kaïn, de oudste zoon van Adam en Eva zijn broer, onze Abel, vermoord heeft, - ik vermoed dat u die geschiedenis kent. En dat God hem heeft gestraft, hem heeft verjaagd van zijn terrein. En dat Kaïn zo een zwerver is geworden, een mens door onrust getekend, een onrust die van binnen en van buiten zit. Ik vermoed dat ook dàt u misschien nog wel bekend is. Maar of u ook weet dat dat verhaal nog een vervolg heeft - dat weet ik niet. Kaïn protesteert namelijk, hij vindt zijn straf te zwaar, hij vreest onderandere dat ieder die hem ontmoet hem kan gaan doden. En dan neemt God Kaïn in bescherming. God geeft aan Kaïn een merkteken. Een teken van goddelijke bescherming, een teken dat moet voorkomen dat iemand Kaïn zou doden. (Genesis 4 : 12 - 15) De misdadiger, ook de gestrafte misdadiger, blijft een mens, een mens die Gods barmhartigheid ervaart. En zo wordt van in het vierde hoofdstuk van het eerste bijbelboek duidelijk gemaakt dat barmhartigheid een eigenschap is van God. Ge vindt die barmhartigheid van God zelfs nog eerder in dat eerste bijbelboek. Wanneer God Adam en Eva vanwege hun zonde van ongehoorzaamheid uit het paradijs heeft verdreven, staat er: ‘En Jahweh God maakte kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw en Hij deed hen die aan‘. (Genesis 3: 21) Dat heeft voor mijn gevoel iets ontroerends in. Het doet me denken aan een kind dat je aankleedt. Daar zit iets in van tederheid. Hij is een barmhartige God -dat wordt ons dus al verkondigd vanaf het eerste bijbelboek. En die overtuiging komt in de latere Bijbelboeken regelmatig terug. Om maar één voorbeeld te noemen: Wanneer de profeet Jona het niet kan verteren dat de stad Ninive zich bekeert en dat God zijn dreiging om de stad te vernietigen intrekt, zoekt hij beschutting in de schaduw van een boom. Maar die boom verdort en Jona wordt daar woest over. En God zegt dan tot hem: ’Gij zijt begaan met die ricinusboom waarvoor gij niets hebt gedaan en die tussen de ene nacht en de andere is opgeschoten en verdwenen? En ik zou niet begaan zijn met Ninive, de grote stad Ninive waar zoveel mensen wonen -meer dan twaalf tienduizendtallen- mensen die het verschil niet weten tussen hun rechter en hun linkerhand, en dan ook nog zoveel dieren? (Jona 4 : 10-11) De God van Israël is een barmhartige God. Om te begrijpen wat die barmhartigheid van God voor Israël betekent, is het goed om weten dat er met het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid iets speciaals aan de hand is. Dat woord drukt een instinctieve, gevoelsmatige gehechtheid van de ene mens aan de ander uit. Het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid (rahamim) is verwant met rehem, dat baarmoeder betekent. De instinctieve gehechtheid van een kind aan zijn moeder, daar is het woord barmhartigheid familie van. En van die barmhartigheid wordt er gezegd dat ze een eigenschap van God is. Aansluitend bij teksten uit het eerste Testament bezingt Oosterhuis die barmhartigheid van God als volgt : ‘O Heer God, erbarmend,genadig, lankmoedig, rijk aan liefde rijk aan trouw, bewarend liefde tot het duizendste geslacht’ (Verzameld liedboek, p. 328) II. Wanneer iemand iets van Jezus van Nazareth wil verstaan, dan zal hij hem moeten zien tegen deze achtergrond. Van die barmhartige God is Hij beeld en gelijkenis. Hij zegt van zichzelf dat hij is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was. (Matt. 18 :11) Hij vertelt parabels waarin die barmhartigheid wordt uitgebeeld: de parabel van het verloren schaap, de verloren drachme, de verloren zoon. Je ziet hem daar dan ook mee bezig, met dat redden van wat verloren was. De tollenaar Zaccheus bv of de vrouw die op overspel was betrapt. Hij leert aan zijn leerlingen dat ook zij barmhartig moeten zijn: Tot zeven keer toe vergeven is niet genoeg, ze moeten bereid zijn om te vergeven tot zeventig maal zeven keer. (Mattheus 18: 21-22) Er staat blijkbaar geen maat op. Er is geen grens. En het is tekenend voor hem, dat hij met een gebaar van barmhartigheid zelfs zijn leven afsluit : Op het laatste moment vist hij nog een moordenaar op, één die naast hem gekruisigd is. (Lucas.23:42-43) Over een werker van het elfde uur gesproken! III. Na die lange aanloop zijn we gekomen waar we wezen moeten: bij het evangelie van vandaag, bij de parabel over de werkers van het elfde uur. Daarover gaat het namelijk in die parabel: over Gods barmhartigheid. Die parabel heeft een adres. Ze is gericht aan mensen die onbarmhartig zijn: de Farizeeën en de schriftgeleerden. Dat zijn de werkers van het eerste uur. Mensen die God dienen, al een heel mensenleven. Mensen die alle geboden onderhouden plus een reeks voorschriften die ze er bij gemaakt hebben als een omheining, die moet voorkomen dat ze de voorschriften van de wet zouden overtreden. Gewerkt hebben ze, die van het eerste uur. Alleen één ding kennen ze niet: ze kennen geen barmhartigheid. Ze kijken van uit de hoogte neer, op alles en iedereen die te kort schiet. De mensen in Galilea, ’dat volk dat de wet niet kent ‘zeggen ze. De hoeren, de tollenaars, de krommen en de scheven van allerlei slag. Vanuit diezelfde hoogte zien ze ook neer op die profeet uit Nazareth. Ze noemen hem: ‘dat vriendje van tollenaars en zondaars‘. (Mattheüs 11: 19) Wie met pek omgaat wordt er mee besmet. Ja toch? Barmhartigheid? Daarvoor moet je bij hen niet zijn. Met al hun godsdienstigheid kennen ze God niet. Want ze kennen de liefde niet. En die is, ook al in het eerste testament, de kern van alle echte vroomheid. Lees de profeet Hosea er maar op na, of het Hooglied. Ze zitten misschien wel op de juiste trein, maar ze rijden de verkeerde kant uit. Jezus heeft hen ooit gewaarschuwd en gezegd: ’De tollenaars en de publieke vrouwen zullen u voorgaan in het Rijk der hemelen. (Mattheüs 21 : 31) Dat zelfde zegt hij hier ook, in de vorm van een parabel. Een parabel die eindigt met de zin: ‘Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn'. (Mattheüs 20:16) De eersten, dat waren zij. En de laatsten dat zijn die tollenaars en compagnie, die van het elfde uur. IV. Deze parabel is oneindig vaak verkeerd verstaan. Alsof hij iets wou zeggen over arbeidsverhoudingen, of over rechtvaardig loon en dergelijke. Hij gaat over God, en over zijn barmhartigheid. En over de mens die geroepen is om barmhartig te zijn. Anders mist zijn religiositeit, hoe stipt en streng ze ook mag zijn, haar kern. Dat was een waarschuwing, dat is ze nog. Maar die parabel over Gods barmhartigheid is nog iets meer. Er zit iets in van hoop, misschien zelfs iets van troost. In de psalm wordt er namelijk over God gezegd: ’Hij is voor ons een barmhartige Vader, en tot in eeuwigheid duurt zijn trouw. (psalm 103 : vers 8 en vers 17. Vgl Oosterhuis H : Verzameld liedboek p. 506-507). Tot in eeuwigheid - dat is lang. Goddank. Want wie weet, het zou voor u, voor mij ook nog eens ooit praktisch kunnen zijn. Amen. Marcel Heyndrikx SVD

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.