A jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. (Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.)
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

1e ZONDAG VAN DE ADVENT (A) - 1 en 2 december 2001.

1e lezing: Jesaja 2: 1 - 5.
Evangelie: Matthe?s: 24: 37-44 .

Zusters en broeders,

In het toneelstuk van Samuel Becket "Wachten op Godot" zitten er twee mensen op de scene. Ze doen eigenlijk niets. Ze zeggen ook niets, niets écht. Ze zeggen dingen die niet belangrijk zijn. Ze doden de tijd. Ze doen feitelijk maar één ding :ze wachten. Ze wachten op mijnheer Godot.

Af en toe komt er iemand zeggen: " Mijnheer Godot komt vandaag niet". Dan gaat het wachten verder. Als zich dat een paar keer heeft herhaald, denk je als toeschouwer onvermijdelijk: misschien komt die mijnheer Godot wel helemaal niet. Het lijkt me dat dit toneelstuk van Becket precies past op wat die eerste generatie van christenen heeft meegemaakt, zo rond de jaren 60 of 70 na Christus. Na Jezus' dood en Verrijzenis waren ze enthousiast begonnen met te wachten op zijn terugkomst. Ze dachten dat dat alle dagen kon gebeuren. Een groepje mensen uit Thessalonica trok daaruit nogal radicale conclusies. Die hadden het werk maar al neergelegd. Straks kwam de Heer Jezus toch terug. Dan zouden alle dingen, hemel en aarde, nieuw worden. Het was de moeite niet meer waard om in deze oude wereld nog aan het werk te blijven. Maar dat gaat Paulus wel te ver. Hij schrijft een brief naar Thessalonica waarin onder andere die bekende zin staat, de enige zin uit de Bijbel, zegt men, die ook in de grondwet van de vroegere Sovjet-Unie was terecht gekomen: "Wie niet werkt moet ook niet eten" (II Thess. 3-10) Maar van de andere kant denkt Paulus in die periode zelf ook dat de terugkomst van Jezus heel dichtbij is. Op een vraag of de mensen die al gestorven zijn,de terugkomst van Jezus dan niet meer mee zullen maken schrijft hij: "Als Jezus terugkomt zullen eerst diegenen verrijzen die al gestorven zijn. En dan pas komen wij, die dan nog zullen leven." (I Thess. 4: 16-17) Paulus denkt in die tijd dus ook, dat hij tijdens zijn leven de terugkomst van de Heer nog zal meemaken. Maar de jaren gaan voorbij, en wie niet komt is de Heer. Net zo min als mijnheer Godot. En dat wordt een probleem. Het wachten verflauwt, de aandacht verslapt. Wat er dan gebeurt is nog het duidelijkst beschreven in het laatste boek van de H. Schrift, de Openbaring van Johannes. Daarin staan onder andere 7 brieven, gericht aan de 7 kerken van Klein-Azi?. In de brief aan ??n van die kerken, de kerk van Laodicea, wordt er gezegd (het is Jezus zelf die aan het woord is): "Ik ken uw werken, ik weet dat gij koud noch warm zijt. Ach,waart ge maar warm of koud. Maar omdat gij lauw zijt spuw ik u uit mijn mond. Gij zegt: "Ik ben rijk, ik heb overvloed, ik heb behoefte aan niets, en gij beseft niet dat gij ellendig zijt en erbarmelijk".(Open B. 3:15-17) Wat daar begonnen is bij die mensen die zeggen: ik ben rijk ik heb behoefte aan niets, dat heeft men wel de eerste verburgerlijking van het christendom genoemd. De veer van de verwachting is gebroken. En nu zijn ze zich gaan installeren. Ze zijn rijk, ze hebben overvloed, ze hebben niets te kort. Maar de verwachting hebben ze opgegeven. Het ziet er immers naar uit dat de Heer toch niet komt. Of toch voorlopig niet. Dat is de achtergrond waarom je in het evangelie telkens weer teksten vindt waarin mensen worden aangespoord om de Heer te blijven verwachten. Niet alleen in dat stukje evangelie van vandaag is dat het geval, maar ook bv in de parabel van die tien bruidsmeisjes, die wachten op de komst van de bruidegom. En dat is ook het thema van de parabel over de dienaren, die wachten op de terugkomst van hun heer. Het komt terug in de parabel van de talenten. Er wordt gezegd: vergis u niet, de heer kan plotseling komen, zo plotseling als een dief komt in de nacht. Dat dit met zoveel nadruk wordt gezegd en wordt herhaald, komt omdat het nodig is: het wachten duurt al zolang en de mensen worden het moe. Om de verburgerlijking die dan dreigt te ontstaan tegen te gaan, om te voorkomen dat de mensen zich gaan installeren in het hier en nu en de toekomst die het voornaamste is vergeten, gaat de kerk zeggen: die wederkomst van Christus is niet z? ver af: ze gebeurt namelijk al op het einde van je leven. De Heer komt terug bij de dood van elke mens. Dag en uur daarvan zijn onbekend. En ook dat is iets dat plots gebeuren kan. Daarmee sloot de kerk aan bij het levensgevoel van de mensen. En niet alleen bij het levensgevoel van de mensen van toen. Je vindt dat gevoel nu ook nog, je vindt het onderandere verwoord bij sommige dichters. Bij Werumeus Buning bv. Buning was een zeer fijnzinnig man. Iemand ook die enorm kon genieten van goed eten en drinken. Hij had, zei Maurice Roelands van hem, de fijnste tong van Nederland. Hij kon zo over een voortreffelijke maaltijd schrijven, dat je het zelf heerlijk ging vinden, zelfs als je niet eens zo heel veel om die dingen gaf. In ??n van zijn stukjes beschreef hij hoe hij in Frankrijk werd uitgenodigd om op een landgoed de witte Chablis te komen proeven. Die Chablis doet hem denken aan een oud duits wijnlied: "Es wird ein Wein sein und wir wird nicht mehr sein." Er zal nog wijn zijn, maar wij zullen er niet meer zijn. Hij vertelt hoe de gastheer hem meeneemt naar de jonge stekjes, de volgende generatie van de Chablis. En die gastheer zegt dan tegen hem: Maar of wij de wijn van deze stekjes nog zullen proeven? (1) De Heer kan plotseling komen, hij komt op het einde van je leven. Niemand weet wanneer dat is: leef dus in verwachting naar de toekomst toe. Maar wat is dat eigenlijk: leven in verwachting, leven naar de toekomst toe? Dat is niet: allerlei getallen uit de Bijbel optellen om te weten te komen wanneer precies het einde van de wereld er zal zijn. Dat is beslist onevangelisch: het evangelie zegt immers: Van die dag weet niemand iets -ook niet de engelen in de hemel, en zelfs niet de zoon. (Marc 13:32) Leven in verwachting naar de toekomst toe betekent evenmin: elke morgen zeggen: deze dag zou wel eens mijn laatste kunnen zijn. Dat houdt de doorsnee mens niet vol, en het lijkt me ook niet zo gezond. Leven in verwachting naar de toekomst toe, dat ziet er anders uit: dat is leven in de lijn van wat je verwacht. Als je verwacht dat het nieuwe leven, het leven dat je verwacht, een leven van licht zal zijn -en zingen we niet bij een begrafenis: Moge het eeuwige licht voor haar of voor hem opgaan?- begin dan nu met te wandelen in het licht. Als je verwacht dat het leven van de toekomst een leven zal zijn waarin er geen onrecht meer bestaat, begin dan nu met het onrecht in je leven uit te bannen. Als je verwacht dat het toekomstig leven een leven van vrede zal zijn, een leven waarin de zwaarden tot ploegscharen zijn omgesmeed, begin dan nu met te werken aan de vrede. Van de vreedzamen is immers gezegd dat ze zalig zijn. (Matt. 5: 9) En als je verwacht dat in het toekomstig leven de armen, de vernederden en de verdrukten door God zullen worden hersteld in hun waardigheid en in hun eer, begin dan nu met God te herkennen in de arme, de gekwetste, de mens zonder gewicht en zonder gezicht. Want dit is leven in verwachting, leven naar de toekomst toe: een melodie inoefenen, waarvan je verwacht dat ze straks zal worden gezongen, een lied waarvan je verwacht dat de uitvoering ervan morgen of overmorgen of God weet over hoeveel jaren, op een hoger niveau zal worden voortgezet en voltooid. Marcel Heyndrikx SVD (1) Werumeus Buning J.W.F.: Langs 's Heren wegen. Keuze uit eigen werk. (Ooievaar pocket 48.) Den Haag / Bakker - Daamen , 1957 , pp. 126-129 .

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.