B jaar

14e ZONDAG DOOR HET JAAR (B)   -   4 en 5 juli 2009

Ezechiël 1: 28b - 2:5.
Marcus 6: 1 b - 6.


Zusters en broeders,

I.    Menselijke gevoelens en reacties, je hebt ze in allerlei soorten, maten en gewichten.  Van vreugde tot verdriet, van verlangen naar ontmoediging, van enthousiasme naar onverschilligheid en het hele gamma daar tussenin.  Wat de Bijbel betreft, ik denk niet dat er menselijke reacties zijn die ge er niet in tegen komt.  Het stukje evangelie van vandaag eindigt met zo'n menselijke reactie, maar dan wel één die in de Bijbel eerder zeldzaam is.  Het gaat hier om een reactie van verbazing.  Verbazing treedt op als er iets is wat je verrast.  Iets wat je niet had voorzien.  Je staat er versteld van.  Die verbazing kom je in de Bijbel tegen in drie varianten.

II.     Om met die van vandaag te beginnen: het gaat daar om een vorm van verbazing die een reactie is op het ongeloof.  Wat er in Nazareth aan dat ongeloof voorafgaat is bekend.  Jezus bevindt zich op zijn thuisbasis.  Ze kennen hem daar: Nazareth is maar een voorschoot groot.  Iedereen kent er iedereen.  Het is sabbat en Jezus preekt er in de synagoge.  Wat hij daar zegt staat er in dit stukje evangelie niet bij maar dat is waarschijnlijk hetzelfde dat Marcus al vanaf het begin van Jezus optreden heeft vermeld: Wat Jezus zegt komt hierop neer: 'Ik heb goed nieuws voor u. Er komt een nieuwe tijd. Want dat langverwachte Koninkrijk van God is nu nabij.  Geloof me, geloof in deze blijde boodschap'. (Marcus 1: 15 )  En zijn toehoorders zeggen: Wat hebben we nu?  Wat haalt hij in zijn hoofd?  Wie denkt hij wel dat hij is?  Allez jongens, die timmerman van ons.  En daarop komt dan die verbazing naar voren.  Er staat: 'Jezus stond verbaasd over dat ongeloof van hen'.

II.     Verbazing: ge hebt die in twee kleuren: de lichte en de donkere.
Die welke in Nazareth bij Jezus opkomt is de donkere.  Ze ligt dicht bij teleurstelling, ze is verwant met ontgoocheling.  Ze is een reactie op het ongeloof.  Dat ongeloof is hem gevolgd zijn leven lang.  Het begon al bij zijn familie.  Het evangelie van Marcus is nog maar drie hoofdstukken ver als er al staat dat zijn familie er op uittrekt om hem mee te nemen naar huis, want ze zeiden: 'Hij is gek geworden'. (Marcus 3: 21)  En het gaat verder.  Nadat hij heeft gezegd dat zijn lichaam en zijn bloed spijs en drank zijn, voedsel om van te leven, staat er: 'Velen van zijn leerlingen trokken zich terug en verlieten zijn gezelschap'. (Johannes 6:66)  Ongeloof, zelfs in zijn eigen kring,
En wat de leiders van zijn volk betreft, -die hebben nooit in hem geloofd.  In het milieu van hen die het voor het zeggen hebben in Israël drukt iemand dat op een bepaald moment als volgt uit: 'Heeft er dan ook maar één van de overheden of van de Farizeeën in hem geloofd?  Dat volk ja, dat de Schrift niet kent'. (Joh. 7:48-49)  Dat ongeloof heeft hem verbaasd.  En die verbazing die al in Nazareth aanwezig was ging naar het einde van zijn leven over in een afgrond-diepe confrontatie met de mislukking van zijn zending.  Er staat dan dat hij daarover heeft geweend. (Lucas 19:41)  Dat is de eerste vorm van verbazing, de donkere vorm: verbazing over het ongeloof.

III.    Maar er is ook die andere vorm van verbazing, de lichtende, de lichtgevende, de bemoedigende.  Verbazing over het geloof.  Hij heeft dat geloof gevonden op een plaats waar hij het niet had verwacht.
Wanneer een Romeins officier hem komt vragen om zijn knecht te genezen, antwoordt Jezus dat hij naar hem toe zal komen.  De officier reageert daarop met te zeggen dat dat niet eens nodig is want dat het woord van Jezus zelfs vanuit de verte al voldoende zal zijn om zijn knecht weer gezond te maken.  Dan zie je bij Jezus dat die tweede vorm van verbazing optreedt.  Er staat dan: 'Jezus stond verbaasd en zei tot die hem volgden: Voorwaar ik zeg u: bij niemand in Israël heb ik zo'n groot geloof gevonden'. (Matt. 8: 10)  Diezelfde verbazing is hem nog eens overkomen, opnieuw bij een vreemdeling, bij een vrouw afkomstig uit het gebied van Kanaän.  Die komt naar hem toe om te vragen om genezing voor haar dochtertje.  Hij houdt de boot af.  Hij zegt dat hij alleen naar de verloren schapen van Israël is gezonden.  En dat je het brood dat voor de kinderen is bestemd toch niet aan de honden kunt geven.  Maar ze laat zich niet afschepen.  Ze zegt tot hem dat de hondjes onder tafel toch ook een brokje mee mogen eten.  En dan is er bij hem opnieuw die verbazing, die tweede, die lichtgevende.  Je hoort ze doorklinken in de waardering, in de bewondering die zijn antwoord kleurt: 'Vrouw, gij hebt een groot geloof'. (Matt. 15:28)

IV.     De Bijbel kent nog een derde vorm van verbazing.  Ook die is lichtgevend, maar die heeft nu geen betrekking op het geloof, maar op de mens zelf. Om precies te zijn: op de manier waarop God omgaat met de mens.  Ge vindt die derde vorm van verbazing uitvoerig verwoord in psalm 8.  Daar staat: Wanneer ik de hemelen zie, het werk van uw handen, de maan en de sterren die Gij hebt gemaakt, wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt, het mensenkind, dat Gij acht op hem slaat.  Toch hebt Gij hem bijna tot een godheid gemaakt, hem met glorie en luister getooid.  Heel de schepping hebt Gij aan hem onderworpen, alles aan zijn voeten neergelegd'. (Ps 8 : 4-7)  Die derde vorm van verbazing, verbazing over de grootheid van de mens, is op een versluierde manier ook aanwezig in het evangelie van vandaag.  Maar dan niet bij Jezus van Nazareth, maar bij de evangelist Marcus.  In verband met het ongeloof waarmee Jezus daar geconfronteerd wordt schrijft Marcus: 'Jezus kon daar geen enkel wonder doen'.  De mens is zo belangrijk, Gods respect voor de menselijke beslissingen is zo groot, dat God zelf die beslissingen aanvaardt, Hij houdt halt voor de beslissing van een mens.  Een mens kan God op afstand houden, hij of zij kan God buiten de deur houden.  De verbazing van de evangelist komt hierin tot uitdrukking dat hij aan zijn eerste uitspraak toch nog een zinnetje heeft toegevoegd.  Zijn eerst uitspraak luidde: 'Hij kon daar geen enkel wonder doen, geen één.  Maar omdat hij zich die onmacht blijkbaar maar moeilijk kon voorstellen voegde hij er aan toe: 'Behalve dan dat hij een paar zieken genas die hij de handen oplegde'.
Verbazing over de mens, over het geloof van de mens zowel als over zijn of haar ongeloof, dat kom je tegen in de Bijbel.  En dan nog die andere vorm van verbazing, verbazing over de mens en over Gods respect voor de vrijheid van de mens.  Over God zeggen wij al eeuwenlang dat Hij of Zij almachtig is, en dat is denk ik OK, mits je het goed verstaat.  Maar er moet dan wel iets aan worden toegevoegd.  De almachtige heeft voor een bepaalde vorm van onmacht gekozen, zich kwetsbaar gemaakt, verbazingwekkend kwetsbaar.  Zich aan geloof en ongeloof van mensen toevertrouwd.  Daarbij sluit dan een vierde vorm van verbazing aan: Verbazing over God over wie er in het eucharistisch gebed dat wij straks gebruiken wordt gezegd dat in Jezus van Nazareth aan het licht is gekomen hoe Hij bestaat 'weerloos en zelveloos, dienaar van mensen'. (1)  Verbazing over deze God: misschien is dat wel één van de meest zuivere vormen van christelijk geloof in de Eeuwige, geprezen zij zijn Naam.  Amen.

Marcel Heyndrikx SVD

(1)     OOSTERHUIS H.: Verzameld liedboek. (Kampen,Kok, 2004) pp. 612-619.
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.