B jaar

18e ZONDAG DOOR HET JAAR (B)   -   2 en 3 Augustus 2003.

1e Lezing: Exodus 16: 2 vv,
Evangelie: Johannes 6: 24 - 35.


Zusters en broeders,  

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) heeft zijn leven lang geprobeerd een antwoord te vinden op deze drie vragen:
1.      Wat kan ik weten?
2.      Wat moet ik doen?
3.      Wat mag ik hopen?
Er was nog een vierde vraag, die hem bezig hield.  Die vierde vraag vatte de drie eerste in zeker zin samen.  Die vierde vraag luidt: Wat is de mens?
Kant was niet de eerste die zich met die vierde vraag heeft bezig gehouden.  Mensen hebben zich die vraag altijd wel gesteld, op een of andere manier.
Maar de antwoorden op die vraag naar wie of wat de mens is, gaan twee totaal verschillende richtingen uit.
In het antwoord dat zowel de oude Grieken als de Bijbel geven op die vraag, klinkt een grote bewondering voor de mens door.
De Griekse auteur Sophocles bv (496-406 v. Christus), die onderandere het drama Antigone schreef, sluit het eerste bedrijf van dit toneelstuk af met een zang van het koor.  En dat koor zingt onderandere het volgende: "Vele dingen zijn indrukwekkend en groots, maar niets is indrukwekkender dan de mens". (1)
Diezelfde bewondering voor de mens vindt ge ook in de Bijbel terug.  In psalm 8 bv wordt er gezongen:  

"Gij hebt de mens bijna God gemaakt
hem met glorie en eer gekroond.
Gij laat hem heersen over alles wat Gij gemaakt hebt
alles hebt Gij aan zijn voeten gelegd". (Ps. 8: 5-7)

Die bewondering voor de mens vindt ge in allerlei teksten terug, de eeuwen door.
Maar in de moderne tijd slaat dat om, en dat heeft te maken met de wetenschappelijke kennis.  En met alles wat er in deze tijd is gebeurd.
Sinds Darwin ontdekte dat de mens niet op een heel aparte manier door God is geschapen, maar dat hij door evolutie voortkwam uit het dierenrijk en sinds bovendien de wandaden van de mens zulke enorme proporties hebben aangenomen, is er een heel ander antwoord op de vraag "Wat is de mens" opgedoken.  Een antwoord dat bv wordt geformuleerd als: De mens is een naakte aap, of: de mens is een bijzonder wreed dier.
Zoals dat gewoonlijk is, zit er in allebei die antwoorden iets.  Die grootheid van de mens, daar is iets van aan. En dat andere antwoord, dat onthutste antwoord, daar is ook iets van.
Aan die vraag: Wat is de mens, moest ik denken, naar aanleiding van het evangelie van vandaag.  Want merkwaardig is wel, dat er in dat evangelie ook een antwoord op die vraag ligt vervat.  Een heel apart antwoord, dat wel.  Het evangelie zegt namelijk: De mens is een wezen dat twee soorten honger kent.  De eerste soort honger heeft hij gemeenschappelijk met het dier.  Maar die tweede soort honger, die kent het dier niet.  Die tweede soort honger is een honger naar iets dat zin en betekenis aan zijn leven geeft.  Naar iets dat bovendien niet voorbijgaat, niet ontgoochelt.  Iets dat zijn diepste verlangen vervullen kan.
Bij die tweede honger sluit het evangelie van vandaag aan.  Jezus zegt daarvan: Als het over die honger gaat, als je op zoek bent naar iets dat die honger stilt, kom dan maar naar mij.  Ik zal u brood geven, brood dat die honger stilt, brood om van te leven.
Wat bedoelt hij daar eigenlijk mee, met dat brood dat hij geven wil?  Brood dat je bij hem halen kunt?
Wel, als je kunt geloven waar hij in geloofde, als je kunt geloven dat dat ene woord liefde, hoe misbruikt het ook mag zijn, de kern aanduidt van het leven -dan heb je brood om van te leven.
Als je probeert om trouw te zijn aan jouw weg zoals hij trouw is geweest aan zijn weg -dan heb je brood om van te leven.
Als dat visioen dat hem voor ogen stond -een wereld van liefde, van rechtvaardigheid en vrede -ook jou blijft aanspreken - tegen alle onwaarschijnlijkheid in - dan heb je brood om van te leven.
Dan ben je een gelukkig mens.
Die laatste uitspraak is niet van mij, ze is van iemand die geen christen was.
Ik heb haar gelezen, veel jaren geleden in een interview.  Een interview met de grote Franse bioloog, Jean Rostand.  Hij vertelde hoe hij soms de wanhoop nabij was.  Hoe hij kon wakker liggen, vrezend dat hij van het leven en van de wereld niets begreep.  Je zou kunnen zeggen: hij was er niet in geslaagd brood te vinden voor die tweede honger.  En hij zei tot degene die hem interviewde: Je hebt geluk dat je gelooft.  
Gelukkig ben je, wanneer je dat brood gevonden hebt, dat brood waar het in het evangelie van vandaag over gaat, dat brood om van te leven.
Amen.

Marcel Heyndrikx SVD

(1)    VAN KILSDONK J. Met het licht van jouw ogen. (Heeswijk, Dabar-Luyten, 2000, 208 pp. p.108
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.