B jaar

18e ZONDAG DOOR HET JAAR ( B )   -   1 en 2 augustus 2009.

Exodus 16: 2 - 4; 12 -15.
Johannes 6: 24 -35.


Zusters en broeders,  

I.     Dat het me echt verrast heeft kan ik niet zeggen.  En toch leek het nog haast zoiets.  Ik bedoel mijn reactie op de cijfers die het weekblad Tertio heeft gepubliceerd, met betrekking tot het aantal jonge mensen die in België en in Nederland in de loop van 2009 priester gewijd zullen worden. (1)
Dat het er weinig zouden zijn was te verwachten.  Dat het er niet meer dan één zou zijn voor de 5 Vlaamse bisdommen samen had ik niet gedacht.
In de Franstalige bisdommen zijn het er weliswaar nog 9 maar dat zijn er ook gemiddeld niet meer dan één of twee per bisdom.  Het is in Nederland niet veel anders.  Daar worden er eveneens 9 gewijd, maar ook daar is dat voor de 7 bisdommen samen.  Die cijfers riepen ineens een uitspraak van een franse auteur bij mij op, Maurice Bellet die al zo'n 20 jaar geleden zei: 'Er is in deze tijd iets dat naar zijn einde toe gaat.  Dat kan heel lang duren, (…) maar iets is naar zijn einde onderweg.  En wij worden daarmee geconfronteerd'. (2)
Het zijn niet alleen die cijfers met betrekking tot de priesterwijdingen die ons daarmee confronteren.  Je ziet dat ook bv. aan het aantal mensen die 's zondags naar de kerk komen om Eucharistie te vieren.  En aan de gemiddelde leeftijd van die kerkgangers.  Je ziet het ook aan het feit dat het zo moeilijk is om het christelijk geloof aan een volgende generatie door te geven.
II.     Het kan de indruk wekken dat het christendom zelf of althans de katholieke kerk aan het verdwijnen is.  Maar dat het christelijk geloof zou verdwijnen kan ik me moeilijk indenken.  Vooral omdat ik me niet kan voorstellen dat er in de toekomst geen mensen meer zouden zijn die de bergrede niet opnieuw zouden ontdekken.  Of die door de figuur van Jezus van Nazareth niet zouden worden geboeid.  Ondergang van kerk en christendom, ik geloof het dus niet.  Maar wat wel verdwijnt, wat afsterft is een oude geloofsgestalte, een oude voor ons vertrouwde manier om de inhoud van het christelijk geloof te verstaan en te beleven.  En dat is al pijnlijk genoeg.  Godfried Bomans en Michel van der Plas schreven een boekje over hun roomse jeugd en hoe het hen daarna verging.  Ze gaven dat boekje als titel mee: 'In de kou'. (3)  Een betere titel hadden ze wel nauwelijks kunnen bedenken.  Wie geloven zitten ondertussen met merkbaar ongeduld te wachten op een nieuwe lente in de kerk, op een tijd waarin het christelijk geloof weer mensen aanspreekt, mensen boeit.
Hoe lang zo'n winterse periode kan duren weet echter niemand.  En hoe zo'n nieuw begin er uit zal zien weten wij evenmin.  Wat wij misschien wel zouden kunnen doen is eens kijken naar het allereerste begin.  Hoe zag het christendom er uit toen het nog jong was?  Want als er over korte of lange tijd zo'n nieuw begin ergens zichtbaar wordt, zal dat waarschijnlijk wel gelijkenis vertonen met dat allereerste begin.
Welke kenmerken vertoonde dat allereerste christendom?
Er waren daarin toen twee elementen aanwezig, die overigens nauw met elkander verbonden waren.  Op de eerste plaats ging het in het jonge christendom om een persoon, de persoon van Jezus, van Nazareth.  Dat was zelfs voor buitenstaanders zo opvallend dat ze de gelovigen naar hem hebben genoemd.  In Antiochië noemden ze die gelovigen: Christiani, dat wil zeggen: die van Christus.  In dat eerste begin was het christendom een persoonsgebonden materie, een materie verbonden met zijn persoon, de persoon van Jezus van Nazareth.
Het tweede kenmerk van dat beginnende christendom sluit daar nauw bij aan: die Jezus van Nazareth was iemand die hen ter harte ging.  Natuurlijk was er bij hen ook sprake van inzicht, van een ook verstandelijke ontdekking van Jezus van Nazareth.  Maar er was meer dan dat.  Ze waren er ook met hun hart, met hun gevoel bij betrokken.  Als Jezus na zijn verrijzenis aan Petrus vraagt: Heb je me lief, dan zegt Petrus tot drie keer toe: Gij weet Heer dat ik u lief heb. (Joh. 21 : 15 -17)  En wat Paulus betreft: Wat Jezus van Nazareth voor hem betekent drukt hij als volgt uit 'Omwille van hem heb ik alles prijs gegeven, ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen en één met hem zijn'.  (Filippenzen 3: 8-9).  Zo waren ze op Jezus van Nazareth gericht, die eerste leerlingen, met hart en ziel, met al hun krachten
III.     Als het christelijk geloof in de toekomst ergens, God weet waar, God weet wanneer, opnieuw beginnen zal, dan zullen die twee elementen daarin, denk ik, opnieuw aanwezig zijn.  Opnieuw zullen mensen dan Jezus van Nazareth ontdekken, opnieuw zal hij hun leven vullen.  Misschien zijn er onder ons wel al tekenen van zo'n nieuw begin aanwezig.  Wanneer je in de tweede helft van juni naar de hei gaat, bloeit de struikhei nog niet, het is nog zes weken te vroeg. Maar op enkele zeldzame plaatsen staat er toch al zo'n struikje hei in bloei.
Iets dergelijks kun je misschien ook al meemaken met betrekking tot een nieuwe geloofsgestalte.  Hier en daar zijn er wellicht al mensen in wie dat nieuwe begin, die nieuwe vertaling van het geloof reeds aanwezig is.
Eén van dat soort mensen, één van die nieuwe gelovigen die Jezus van Nazareth op een eigen manier had ontdekt, heb ik van iets dichterbij meegemaakt.
Zijn naam was Marcel Légaut.  Hij was professor van wiskunde aan de universiteit van Rennes.  Op een bepaald moment heeft hij dat laten staan en is gaan boeren in Zuid Frankrijk.  En daar heeft hij een nieuwe interpretatie van het christendom uitgewerkt.  Ook bij hem was het meer dan een louter intellectuele ontdekking van Jezus van Nazareth.  De persoon van Jezus had voor hem ook een emotionele betekenis.  Dat kwam eens op een merkwaardige manier naar voren.  Hij had een hekel aan het woord liefde.  Het was te vaak misbruikt.  Maar toen een interviewer hem vroeg wat Jezus van Nazareth voor hem betekende zei hij spontaan: 'Je I 'ai toujours aimé - Ik heb altijd van hem gehouden.
Bij zulke mensen zie ik dat wel beginnen, die nieuwe vorm van christen zijn.  Om het in de taal van het evangelie van vandaag te zeggen: Het zijn mensen die op hun manier ontdekken dat hij voor hen voedsel is, brood om van te leven.
IV.     Veel kans dat wij het openbloeien van die nieuwe geloofsgestalte nog zullen meemaken is er, denk ik, niet.  Maar voor de tussentijd, de tijd tussen de oude kerkgestalte en de nieuwe, gaf Dietrich Bonhoeffer deze aanbeveling mee:
'Tot die tijd (dat wil zeggen de tijd dat het christendom een nieuwe gestalte heeft gevonden) tot die tijd zal de zaak van de christenen een stille en verborgen aangelegenheid zijn, maar er zullen mensen zijn die bidden en gerechtigheid doen, en die wachten op Gods uur.  Mocht ook gij daar bij zijn'. (4)
Amen.

Marcel Heyndrikx SVD


(1)    Tertio, 17 JUNI 2009 ( 10) nr. 488.
(2)    La recherche d'un manteau protecteur. Interview avec Maurice Bellet, in: L'actualité religieuse dans le monde, 15 novembre 1987 No 50, p.32.
(3)     Bomans, Godfried en Van der Plas, Michel: In de kou. Over hun roomse jeugd en hoe het hun verder verging. Bilthoven, Ambo, 1972 (9e druk), 291 pp.
(4)     Bonhoeffer Dietrich: Widerstand und Ergebung. Briefe und Aufzeichnungen aus der Haft. (Dietrich Bonhoeffer werke. Achter Band) München. Kaiser. 1998. p. 436.
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.