B jaar

TWEEDE ZONDAG ADVENT (B)  -  3 en 4 december 2011.

Jesaja 40: 1-5 ; 9-11.
Marcus 1: 1-8.

 Zusters en broeders,

I.          Een aantal jaren geleden hield Edward Schillebeeckx een homilie die aansloot bij de teksten van deze zodag. Hij eindigde haar met de volgende zin: ‘God is blijvend DE KOMENDE - dit is zijn naam en wezen -, steeds anders en nieuw, naargelang van de veranderde omstandigheden waarin we leven’. (1)

Over dat komen van God gaat het in deze periode van het kerkelijk jaar, in de Advent. In dat komen van God hebben mensen in de joods-christelijke traditie altijd geloofd. Je mag er wat mij betreft gerust bij zeggen: ’ondanks alles’.

Schillebeeckx geeft de reden waarom ze daarin geloofden ook aan. Voor wie in deze God gelooft zit de garantie voor dat komen al in zijn naam. Die naam van hem heeft hij geopenbaard aan Mozes, bij de verschijning in de woestijn, bij het brandende braambos. (Exodus 3:14) Op de vraag van Mozes naar zijn Naam antwoordde God: 'Ik ben die is'. Vanwege het eigen karakter van de Hebreeuwse taal betekent dat tegelijk: 'Ik ben degene die er zal zijn'.

Die naam van God is een belofte en daarmee de basis zelf voor het geloof dat God naar mensen toe zal komen. Toen in later tijd de naam van God verder werd ingevuld en er werd gezegd dat deze God liefde is (I Joh. 4:8), werd die overtuiging er alleen maar sterker op. Het probleem was dat er niet werd gezegd en misschien niet kon worden gezegd, hoe die komst van God er dan uit zou zien .

Overigens kon die komst verschillende vormen aannemen. Was de schepping zelf al niet een vorm van zijn komst? Is ons leven al niet een Godsgeschenk, en dus een vorm van zijn komst?

En komt hij niet tot ons in zijn woord?

II.         Er heeft zich echter in de loop van de tijd in Israël een heel aparte vorm van verwachting met betrekking tot die komst van God ontwikkeld.

Men verwachtte dat God komen zou in een mens, een heel speciale Godsgezant, een door hem gezalfde, een Messias. En die gezalfde zou een nieuwe tijd, een nieuwe maatschappij tot stand brengen. Een maatschappij waarin God op een speciale wijze koning zou zijn. De profeten waren daar vol van.

Het drama was dat mensen die komst van God in zijn gezalfde op hun eigen manier gingen invullen. Op een manier waarop ze zich dat komen van God droomden. God zou komen met macht en majesteit, want dat hoorde toch bij hem, bij God. Zijn gezalfde zou komen als koning maar dan als een ideale koning. Hij zou Israël verlossen van zijn vijanden en het kwaad zou hij uitroeien met wortel en tak. (Lees er de boodschap van Johannes de Doper maar op na). De wereld zou een ander uitzicht krijgen- het uitzicht van een onbedreigde, eeuwige vrede.

III.          Die droom is een ramp geworden. Want God is inderdaad gekomen, in Jezus van Nazareth. En die nieuwe maatschappij, dat koninkrijk van God was toen, zei hij, nabij. Maar men heeft hem afgewezen, hem uit de weg geruimd.

Dat was niet de komst van God, zoals zij die zich hadden gedroomd.

God kwam de wereld binnen als een gewoon mensenkind. Veruit de langste tijd van zijn leven wist niemand iets van hem. Een onbekende, zoon van de lokale timmerman. Wonend in Nazareth, een dorp zonder enige betekenis in Israël, een dorp waarvan een gelovige Jood die overigens door Jezus zelf geprezen werd zich afvroeg of daar vandaan iets goeds kon komen. (Joh. 1: 46) Johannes de Doper brengt hij tot vertwijfeling (Matt. 11:3.), omdat hij de boosdoeners niet uitroeit maar hen juist gaat opzoeken en zegt dat hij gekomen is om te zoeken en te redden wat verloren was. (Matt. 18:11 ) En koning? Als overenthousiaste mensen een aanloop nemen om hem tot koning aan te stellen trekt hij zich terug in de eenzaamheid, hij alleen. (Joh. 6:15) Wat hij over heersen denkt formuleert hij zo: 'Ik ben niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen'. (Matt.20:28) En tot ontzetting van zijn leerlingen begint hij hun voeten te wassen en zegt dat hij verwacht, dat ze dit ten opzichte van elkaar nu ook zullen doen. (Joh. 13:14) De leiders van zijn volk hebben hem geliquideerd. Dat was niet degene die ze verwachtten, niet de gedroomde komst van hun gedroomde God. (2)

 

IV.         Maar sedertdien weten zij die in hem geloven en hem willen volgen wél, hoe ze zich de komst van God moeten voorstellen.

Kort gezegd: God komt onder ons in mensen die op hem gelijken, op Jezus van Nazareth. Hij komt niet in hen die zo nodig bovenaan willen gaan staan. Niet in mensen die openlijk of heimelijk vechten om de belangrijkste plaats. Hij komt in hen die dienstbaar zijn, zoals de man uit Nazareth.

In mensen ook die zich zoals hij bekommeren om wat zwak is, gekwetst, buiten de maatschappij terecht gekomen. Van die mensen zegt Jezus dat hij in hen aanwezig was. In de hongerigen, de naakten, de vreemdelingen, de gevangenen. (Matt. 25 : 31-45)

En wat de komst van die nieuwe maatschappij betreft, van dat koninkrijk van God, dat komt daar aanwezig, of daar is althans een eerste begin ervan gegeven, waar mensen proberen die grote drie uit te bouwen: gerechtigheid, barmhartigheid en dienstbaarheid.

Advent: vier weken op een jaar bezinnen wij ons hierop, op de manier waarop God effectief onder ons is gekomen. En op de manier waarop hij dat komen van hem onder ons voort wil zetten. Vier weken: bij daglicht bekeken, eigenlijk is dat niet eens zoveel.

Amen.

 

Marcel Heyndrikx SVD

 

(1)       SCHILLEBEECKX Edward : Evangelieverhalen. Bilthoven, Nelissen, 1982 , p.13.

(2)     GROLLENBERG Lucas : Onverwachte Messias. De bijbel kan ook misleidend zijn. Baarn , Ten Have , 1987 , 224 pp.

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.