B jaar

2e ZONDAG VAN PASEN  -  BELOKEN PASEN (B).  -  18 en 19 april 2009

Hand .4: 32-35.
Johannes 20 : 19-31.


Zusters en broeders,

I.     Wat is er toch met de vrouwen gebeurd?
Ik bedoel niet nu, maar toen.  Toen,in die periode kort na Jezus' dood.
Tussen mannen en vrouwen is er in die periode toch zoiets als een contrast.  
Thomas: goed, dat weten we.  Thomas speelde niet meer mee.  Radicaal nee.  De pijn zat te diep bij hem.  Thomas: onderschat hem niet.  Hij heeft aan Jezus gehangen.  Met heel zijn hart en heel zijn ziel.  Als Jezus aan het einde van zijn leven naar Jerusalem terug wil gaan,en hij is daar niet van af te brengen, dan is het Thomas die zegt: Laat ons dan in Gods naam maar met hem meegaan en met hem sterven. (Joh. 11:16)  Ondertussen is het ondenkbare gebeurd: Hij is dood, en zij, zij leven nog.  En Thomas, Thomas voelt zich als één die failliet is gegaan.  In het faillissement van zijn geloof.  Hij heeft er zijn bijnaam aan over gehouden, Thomas de ongelovige.  Helemaal terecht is dat niet.  Niet alleen omdat hij voor de rest van zijn leven een gelovig man is geweest.  Maar ook omdat de andere apostelen al evenmin geloofden.  Als een groepje vrouwen de boodschap van Jezus' verrijzenis aan de apostelen over brengt dan staat er: 'Dat verhaal leek de apostelen kletspraat en zij geloofden hen niet'. (Luc. 24:11 )  En als Jezus dan aan de apostelen zelf verschijnt staat er: 'Hij maakte hen een verwijt van hun hardnekkig ongeloof'. (Marc. 16:14)  De ongelovige Thomas?  Dat is te kort door de bocht.  Thomas en de andere ongelovige apostelen, dat is correct.
Maar het zijn mannen die niet geloven, allemaal mannen.
Van geen enkele vrouw wordt er gezegd, na Jezus' dood, dat ze niet geloofde, van geen één.  Ze zijn hem gevolgd tot onder het kruis.  Zij wel.  En ze waren er, bij zijn begrafenis.  Zoals ze er opnieuw zijn, als eersten, de volgende morgen.
Ze schrikken zich dood bij de vreemde dingen die ze dan meemaken.  Dat wel.  Ze vluchtten zelfs weg van het graf, en uit vrees zeiden ze aan niemand iets over dat lege graf en die engel die hen een boodschap had meegegeven. (Marc. 16:8)  Maar ongeloof, daar is bij hen geen sprake van, bij geen van hen.


II.     Waarom bij de mannen wel en bij hen niet ?  Wat is er met de vrouwen toch gebeurd? Weten doe ik dat natuurlijk ook niet.  Maar ik zie wel iets wat daarvan toch een verklaring zou kunnen zijn.
Daarvoor moet je dan wel teruggaan naar de periode van voor Jezus' dood, naar de manier waarop vrouwen Jezus hebben ervaren en beleefd.
Tussen mannen en vrouwen was er toen met betrekking tot Jezus van Nazareth een verschil.  Bij mannen kon hij over komen als een bedreiging voor hun positie, bij vrouwen als een bevrijding.  Jezus van Nazareth voelde zich geroepen en gezonden naar al wat kwetsbaar, ziek, uitgestoten of op een of andere manier gemarginaliseerd was.  En de vrouwen waren zo'n groep, vrouwen telden in het openbare leven niet mee.  Jongens werden door hun Bar Mitswa opgenomen onder de volwassen leden van het verbond.  Voor meisjes bestond zo iets niet.  Vrouwen konden geen getuige zijn voor een rechtbank behalve als het ging over zaken van leven en dood.  Om het voorgeschreven gebed over een dode te kunnen zeggen zijn een bepaald aantal mensen nodig maar de vrouwen telden daarbij niet mee.  Mannen konden hun vrouw wegsturen, soms zelfs om een futiele rede.  Maar vrouwen konden dat met hun mannen niet doen.  Er is een gebed bekend uit de tweede eeuw, een gebed dat staat in de Talmoed: 'God ik dank u dat u mij niet hebt geschapen als een onwetende, één die de wet niet kent, of als een heiden, en ook niet als een vrouw'.
En dan komt daar Jezus van Nazareth, die dat patroon doorbreekt.  De sociale wetten verandert hij niet, dat kon hij ook niet, maar hij behandelt mannen en vrouwen als gelijken.  Hij genas vrouwen zo goed als mannen.  Hij prees het geloof van de heidense honderdman, maar even goed dat van de Kanaänitische vrouw.  Hij sprak met de Samaritaanse vrouw aan de bron.  Maar zelfs over zijn leerlingen die hem toch kenden staat er dan: 'Ze stonden verbaasd dat hij in gesprek was met een vrouw'. (Joh. 4:27) Dat doet een joodse man niet in het openbaar en zeker niet met zo'n halfheidense Samaritaanse vrouw.  Op een bepaald moment zie je het hem ook opnemen voor een vrouw die op overspel betrapt is, en nog wel tegen mannen van rang en stand in Israël. (Joh. 8:1-11)  Hij heeft -zover we weten- nooit iets geschreven, behalve toen, die ene keer, in het zand.
Vrouwen voelden dat er iets bevrijdend van hem uitging.  Ze sloten zich bij hem aan, trokken met hem mee, door heel Galilea en tot in Jerusalem.  Ze zorgden voor hem uit hun eigen middelen, staat er bij Lucas. (Luc. 8:2-3)
Ze voelden zich door hem gerespecteerd, in hun waarde erkend en geëerbiedigd.
Daarom hebben vrouwen meer van Jezus begrepen dan mannen.  Ze hebben anders en dieper ervaren wie hij was.
Geen vrouw heeft Jezus ooit een valstrik gespannen.  Dat deden mannen.  Geen vrouw heeft Jezus verraden, dat deed een man.  Geen vrouw heeft hem verloochend, dat deed Petrus.  Geen vrouw is van hem weggevlucht, dat deden de apostelen.  Vrouwen gingen zijn kruisweg mee; vrouwen bleven bij hem, tot het einde, tot onder het kruis.  Vrouwen waren de eersten die de verrezene hebben gezien.  En aan vrouwen, die als getuigen niet meetelden, gaf hij de opdracht om van hem, de verrezene, bij zijn leerlingen te gaan getuigen.  Het geloof in de verrijzenis is bij hen begonnen.


III.  Maar wat is er later met de vrouwen gebeurd, in de loop van de geschiedenis?  Daar over is heel veel te zeggen, maar zeker is dat de kerkelijke leiding Jezus in zijn respect voor vrouwen heel vaak niet is gevolgd.  Kardinaal Martini, de vroegere aartsbisschop van Milaan die na zijn pensioen in Jerusalem is gaan wonen, heeft samen met een medebroeder van hem een boekje geschreven met als titel: 'Jerusalemer Nachtgespräche ': Nachtgesprekken in Jerusalem.  Hij zegt over vrouwen: 'Mannen in de kerk moeten aan de vrouwen om heel veel dingen vergiffenis vragen.  Maar laat hen vooral nu vrouwen als gelijkwaardig aanvaarden.  Wat de leiding van de kerk betreft zou ik om geduld willen vragen.  Ze zullen meer en meer de capaciteiten van vrouwen ontdekken.  Er is veel aan het veranderen en er zal nog veel meer veranderen'.  En dan zegt hij, onverbeterlijk en niet zonder ironie 'Onze kerk is een beetje bang'. (1)
Waardering voor vrouwen en gelijkberechtiging van hen: komen doet het en komen moet het - want het hoort tot onze erfenis: de erfenis die wij van Jezus van Nazareth hebben ontvangen.  Hij is ons, in waardering van vrouwen en in respect voor hen, voorgegaan.  Er is bij ons in de kerk nog veel te doen.  Maar hij die aan het begin stond, Jezus van Nazareth, blijft ons ook op dit terrein uitdagen én inspireren.
Amen.

Marcel Heyndrikx SVD

(1)    MARTINI Carlo und Georg SPORSCHILL : Jerusalemer Nachtgespräche. Freiburg, Herder, 2008, pp. 123-125;
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.