B jaar

2e ZONDAG VAN DE ADVENT (B)  -  3 en 4 december 2005.

1e lezing:  Jesaja 40: 1-11
Evangelie:      Marcus 1: 1 - 8.

Zusters en broeders ,

Tijdens de tweede wereldoorlog woonden wij in een streek die werd gerekend tot het kustgebied.  De Duitsers bewaakten dat gebied altijd al met bijzondere zorg.  Maar vanaf 1943 of daaromtrent werd het duidelijk dat ze de komst van de geallieerde troepen verwachtten.  Ze legden versterkingen aan, ze bouwden verdedigingslinies.  En al die militaire bouwwerken stonden gericht in één richting, in de richting van de kust.  Want van daaruit, vanuit de zee, werd de komst van de geallieerden verwacht.

Maar toen die troepen in 1945 inderdaad kwamen, kwamen ze van de andere kant.  De geallieerde troepen waren in Frankrijk geland, en ze kwamen vanuit de landzijde naar onze kust toe.

De Duitsers hadden de komst van de geallieerden wel verwacht, maar van de verkeerde kant.

 

Mensen kunnen met hun verwachtingen de verkeerde kant uit kijken.  Er is in de liturgie van vandaag iets dat mij daaraan deed denken.

In de liturgie is er vandaag ook sprake van een komst.  Niet de komst van een mens of van een leger, maar de komst van God.

Jesaja spreekt over Gods komst in de eerste lezing, Johannes de Doper spreekt over de komst van God in het evangelie.  En de liturgie van vandaag gebruikt die verhalen om ook ons op de komst van God in ons leven voor te bereiden.

 

Nu is er met die komst van God in de geschiedenis iets vreemds aan de hand.  Telkens weer zie je het gebeuren dat mensen wel naar die komst van God uitzien, maar ze verwachten haar, om zo te zeggen, van de verkeerde kant.

Die verkeerde verwachting van ons heeft drie kenmerken :

Op de eerste plaats verwachten wij dat God zal komen met macht en majesteit.  Dat past immers bij hem, bij zijn onvoorstelbare grootheid, bij zijn bovenmenselijke aard.  

Op de tweede plaats verwachten wij dat de komst van God voor iedereen overduidelijk zal zijn, onloochenbaar, oog verblindend.

Op de derde plaats verwachten wij dat God naar ons toe zal komen met de meest kostbare geschenken.  Niet met materiële zaken, maar met een sfeer van innerlijke rust, van vrede, van geluk.

Zo, op die manier, komt hij dus steeds weer niet.

Nu is het merkwaardig dat het een atheïstische psychiater is geweest, die duidelijk heeft gemaakt waarom dat de verkeerde kant is.

Freud zei: Die god die zou komen met macht en majesteit, die overduidelijke god, die god die mensen met geschenken overlaadt -dat is eigenlijk een kinderlijke droom, die mensen niet kunnen loslaten.  Het jonge kind heeft de vader ervaren als zo'n grote, majesteitelijke figuur, iemand die onmiskenbaar duidelijk aanwezig was en die voor vrede veiligheid en geluk van het kind zorgde.  En de god die mensen verwachten heeft al de eigenschappen van de vader uit onze jeugd, maar dan bovendien nog uitvergroot.  Deze god komt daarom ook steeds weer niet.  Omdat hij een illusie is.  Als we deze God verwachten, dan kijken we de verkeerde kant uit.

 

Hoe het is als God werkelijk komt, dat kun je zien aan zijn komst in Jezus van Nazareth.

In hem komt God de wereld binnen in de onbeduidendheid van een kwetsbaar kind.  Zijn eerste logement is een stal.  Macht en majesteit komen er niet aan te pas.

En overduidelijk, voor iedereen onloochenbaar, dat tweede kenmerk van onze droom is zijn komst ook al niet.  Over Jeruzalem zal hij wenen, omdat de stad hem niet heeft aanvaard.  En zelfs zijn eigen familie gelooft niet in hem.

En die derde eigenschap die wij van Gods komst verwachten, die geschenken van rust, vrede en geluk, daar is in eerste instantie ook niet zo heel veel van te zien. In plaats van te geven begint hij met te vragen: hij vraagt dat mensen hem zouden volgen, dat ze zich zouden inzetten voor dat koninkrijk van God, dat ze daar zelfs alles voor over zouden hebben.

Als je dat zo bekijkt, is het misschien niet zo verwonderlijk dat er steeds weer sprake is van bekering, als het gaat over die komst van God.

Die bekering kon wel eens vooral daarin bestaan, dat wij moeten leren onze oude verwachtingen met betrekking tot Gods komst op te geven, dat wij moeten leren de andere kant uit te kijken

Hoe zou die komst van God er dan uit kunnen zien, die komst van hem in ons eigen leven?  Die vraag is niet eens zo moeilijk te beantwoorden.

In het evangelie van Mattheus, hoofdstuk 25 staat er: "Ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik had honger en gij hebt mij te eten gegeven, ik had dorst en gij hebt mij te drinken gegeven ik was ziek, ik was in de gevangenis, en gij zijt mij komen bezoeken".  Niks macht, niks majesteit: in de nood van mensen komt hij naar ons toe.  Gevaar om te gaan zweven, gevaar voor illusie of voor kinderlijke wensdromen is daar niet bij.

Hij kan ongetwijfeld nog op andere manieren komen ook.  In een woord van de Schrift dat u raakt bv.  In de gestalte van Jezus van Nazareth, die je op een bepaald moment in je leven op een nieuwe manier leert zien.  Hij kan komen in een ervaring die verband houdt met de natuur of met muziek, waarin zich dan iets dat een mens te boven gaat aan u toont.  Maar nooit komt hij zo duidelijk, zo zonder enig gevaar van zelfbedrog, als wanneer hij zich tot u richt in een situatie waar een beroep op u van uitgaat, een beroep waarvan je weet dat je het niet naast je neer kunt leggen zonder u zelf te verloochenen.

Ach, nog maar eens, zonder bekering, zonder uitzuivering van onze uiteindelijk op onszelf als op ons middelpunt gerichte verwachtingen, zal het wel niet gaan.  Henriëtte Roland Holst dichtte daarover:

"Zuiver uw huis van alle ijdelheden

wat ijdel is kan voor Hem niet bestaan.

Laat een hoge wind door uwe kameren gaan

en gij zult Hem zien anderen in vrede."

In vrede?  Dus toch?  Jawel, maar pas nadat die bekering, die verandering in uw verwachtingspatroon, als een hoge wind door uw leven is heen gegaan.

Amen

 

Marcel Heyndrikx SVD

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.