B jaar

31e ZONDAG DOOR HET JAAR (B)   -   4 en 5 november 2006

Deuteronomium 6 : 2 - 6.
Marcus 12 : 28b -34.


Zusters en broeders ,

In een vorige generatie was het de gewoonte dat kinderen op school vrij veel teksten van buiten leerden.  Dat konden gedichten zijn of liedteksten of, in het godsdienstonderwijs, de vragen en antwoorden van de catechismus.  Mensen waren er van overtuigd dat het goed was, een heel stel teksten van buiten te kennen.  Wat je op jeugdige leeftijd in je geheugen had opgenomen, dat zou met je meegaan, de jaren door.  En inderdaad, tot op hoge leeftijd waren mensen vaak in staat om een aantal van die teksten, die ze leerden op de lagere school, nog op te zeggen.  Dat vertrouwen in het van buiten leren, en dat van buiten leren zelf hebben veel van hun pluimen verloren.  Misschien was er ook wel veel ballast bij.
Maar als er teksten zijn die de moeite waard zijn om van buiten geleerd te worden -als er één tekst is waarvan ik het de moeite waard zou vinden dat we hem allemaal van buiten zouden kennen, dan is het, denk ik, dat stukje evangelie dat we vandaag hebben beluisterd:
"Wat is het allereerste gebod?" vroeg een schriftgeleerde aan Jezus
En Jezus antwoordt met een tekst die gedeeltelijk een citaat is uit het boek Deuteronomium (Deut. 6: 5 - 6) :
Het eerste is : Luister, Israël!
De Heer onze God is de enige heer.
Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.  Het tweede is : Gij zult uw naaste beminnen als u zelf.  Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee'

I     WAAROM is die tekst nu zo belangrijk?
Gewoon omdat het de kern is .
Pastoor Paaps, pastoor van den Heuvel die een boeiend verteller was, heeft in een beeld het belang van deze tekst eens heel plastisch voorgesteld.
Hij zei: Stel u eens voor dat ge alles wat betrekking heeft op het geloof op een grote hoop zoudt samenbrengen: het Oude en het Nieuwe Testament, de dogma', de tien geboden van God en de vijf geboden van de H. Kerk, de encyclieken van de pausen enz.  En ge zoudt daar dan een reusachtige pers op zetten, die dat allemaal samen zou drukken.  Dan zou er daar veel water uit geperst worden.  Ge zoudt uiteindelijk alleen maar een kleine pil over houden.  En daar zou op staan: Bemin God bovenal en bemin uw naaste als u zelf.
Op die manier maakte hij duidelijk dat het hier om de kern ging.  Gabriel Smits formuleerde diezelfde overtuiging in een ander beeld.  Hij gaf aan een van zijn gedichten de titel mee: 'De liefde is het hart van het heelal'.

II     MAAR WAT IS LIEFDE ?
Een franse filosoof, Maurice Nédoncelle omschreef liefde als volgt: 'L'amour, c'est la promotion de I'autre'.  Liefde betekent: je inzetten voor de ontplooiing van de ander.
Dat kan gebeuren in het groot en in het klein.
In het groot gaat het dan om inzet voor gerechtigheid, vrede, heelheid van de schepping.  Dat is een inzet op politiek, economische of sociaal gebied.  Die inzet kan worden gedragen door de liefde.  Denk bv maar aan wat Dag Hammarskjöld, de eerste secretaris generaal van de Verenigde Naties deed en wat hem daarbij inspireerde.  Dat is een inzet voor de ander, die op het vlak van de structuren ligt.  Op die manier proberen het welzijn van anderen te bevorderen, op grote schaal, dat kan worden gedragen door de liefde.
Maar meestal denken wij bij liefde aan de inzet van een mens voor een concrete, nabije persoon.  Die naaste ander, van wie er met of zonder woorden, een oproep naar mij uitgaat.
Liefde op dit niveau kan zijn: niet weglopen van een mens in zijn ellende, luisteren onvermoeid, naar het verhaal van een leven, met zachte handen wonden verzorgen, van welke soort dan ook, gebaren van troost vinden en van bemoediging.
Dat hoort er allemaal bij, bij de liefde die wordt bedoeld in dat eerste gebod.

Misschien is het goed om te weten dat er aan dat eerste gebod iets voorafgaat.
Niet in net boek Deuteronomium, waaruit de eerste lezing van vandaag is genomen, maar in het geloof van de Israëliet.  Elie Wiesel vertelt in een van zijn boeken over een Jood, die elke morgen tot God zegt: "Gij hebt ons bemind met een overgrote liefde".
Die overtuiging, dat aan het eerste gebod, aan het gebod, tot de mens gericht om lief te hebben, de liefde van God voorafgaat -dat is iets dat in de Bijbel regelmatig terugkomt.  Bij de profeet Jesaja bv staat er: 'Zal een vrouw haar zuigeling vergeten? Vergeet een liefhebbende moeder het kind van haar schoot?  En zelfs als die het zouden vergeten, Ik vergeet u nooit.  Zie in mijn handpalmen heb Ik u geschreven'. (Jesaja : 49:15-16)  En bij Jeremia staat er: God zegt: Steeds heb ik je liefgehad, lsraël'. (Jer. 31: 3)  En in de eerste brief van Johannes staat er: 'Hij, God, heeft ons het eerste lief gehad'. (I Johannes 4:10)
De liefde van de mens is geen begin, de liefde van de mens is een vervolg.
Zoals er aan dat eerste gebod, het gebod van de liefde, iets voorafgaat, zo volgt er ook iets op.
Elke mens die op haar of zijn manier dat eerste gebod als richtsnoer neemt of tracht te nemen in en voor zijn of haar leven -die wordt daardoor beeld en gelijkenis van Hem die leeft en liefde is.
Geen kopie, geen duplicaat -maar zij of hij wordt op een originele gestalte van de Eeuwige, van Hem die liefde heet.  Oosterhuis heeft dat zo uitgedrukt:

'Die zoeken wat verloren was
die bij de neergedrukten zijn
die met hun hart en ziel
en hun verstand
trachten het ergste leed
iets te verzachten
die openbaren u
die zijn van u' (1)

Amen.

Marcel Heyndrikx SVD


1)     OOSTERHUIS Huub: Hoe ver is de nacht? (Bilthoven,Ambo, 1974), p. 29.
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.