B jaar

3e ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD (B)  -  14 en 15 maart 2009

Exodus 20:.1-17.
Johannes:  2 : 13 - -25.


Zusters en broeders,

Zie je het al gebeuren?
Eén die opgewonden in de voorhof van de tempel rondloopt, koorden vast krijgt en daar een zweep van maakt en daarmee begint te meppen, tafels van geldwisselaars omverwerpt, schapen en runderen die daar verkocht worden naar buiten drijft en tot de handelaars zegt: 'Dat moet hier gedaan zijn'.  Ge zijt hier niet op de markt, ge zijt hier in een huis dat niet voor kopen en verkopen, maar voor gebed is bestemd.
O.K. maar kan het niet een beetje minder?
Neen, niet voor hem, niet voor de man uit Nazareth.
Hij stoot hier namelijk op drie dingen, drie dingen die hier samen komen, en die hij ronduit voor mensen en voor de kwaliteit van hun samenleving levensgevaarlijk vindt.


1e Het gaat daar op dat tempelplein om geld.
Geld is iets waar Jezus van Nazareth nooit veel goeds over gezegd heeft.  Dat mensen geld nodig hebben weet hij ook.  Eén van zijn leerlingen houdt ook een beurs bij en zorgt voor hun aankopen. (Johannes 13:29)  En hij aanvaardt dat er vrouwen met hen meetrekken die uit eigen middelen voor hem en voor zijn leerlingen zorgen. (Lucas 8:3).
Maar hij weet ook hoe geld en bezit mensen volkomen kunnen inpalmen.  Geld kan in een mensenleven hoofdzaak worden.  Hij wist dat - hij zei ooit: Jongens hoe moeilijk is het voor mensen die geld hebben om het Koninkrijk van God binnen te gaan.  Ge ziet een kameel nog eerder door het oog van een naald kruipen. (Lucas 18:24-25)  Hij wist. hoe gevaarlijk geld. kan zijn voor een mens.  En met wat wij nu achter de rug hebben met betrekking tot de toplonen van managers, de crisis van de vrije markt met betrekking tot de beurs, de corruptie en niet alleen in Afrika, wij weten het ook.  Wat hij daar in de tempel ziet is hoe zelfs daar het geld zich heeft genesteld.  Geld kan God zelfs als eerste en hoogste waarde van zijn plaats verdringen.  Dat is een eerste reden voor zijn protest.  Maar het is niet de voornaamste.


2e Wat hier verder aan de gang is, wat hier onder zit, is een concentratie op de buitenkant van de godsdienst, op een extreem precieze vervulling van uiterlijke voorschriften. Maar het hart is er niet bij.
Wat zitten bv. die geldwisselaars daar te doen?  Wel als je een schaap, een duif of een rund wilt offeren in de tempel, dan kun je dat niet betalen met het geld dat door de Romeinen in omloop is gebracht, want daar staat het beeld van de keizer op, en die wordt als god vereerd.  Dat geld gebruiken, zou ingaan tegen het eerste gebod, dat je geen andere goden dan Jahweh vereren mag, zeggen de priesters en de schriftgeleerden.  En daarom hebben ze in de tempel een eigen soort geld in omloop gebracht.  Dat tempelgeld kun je bij die wisselaars aanschaffen.  En de dieren die je wilt offeren moeten volgens de wet zonder gebrek zijn.  Om daar zeker van te zijn hebben ze er voor gezorgd dat je ook die in de tempel kunt kopen.
De hele eredienst is hier toegespitst op het pijnlijk nauwkeurig onderhouden van al wat tot in de details is voorgeschreven.  Maar Jezus van. Nazareth heeft telkens weer aangeklaagd dat het voornaamste, het hart van de mens er niet bij betrokken is.  Het is een eredienst die hol is, een uiterst verzorgde voorgevel, waar van binnen niets aan beantwoordt .


3e En. daar sluit zijn derde, zijn voornaamste reden tot ergernis bij aan: die pijnlijk verzorgde uiterlijkheid is camouflage voor iets anders.  Het is huichelarij.
Want onder dat gebruik van een eigen soort geld, zogezegd omwille van de eerbied voor de wet, zit jacht op geld: voor het wisselen werden hoge kosten aangerekend  En voor de dieren die men daar kon kopen werd soms vier of vijf keer meer aangerekend dan wat ze buiten de tempel kostten.  Wat naar buiten toe werd gepresenteerd als zorg voor de dienst van God, dat bleek, als je dieper keek, een dekmantel te zijn voor winstbejag, voor geldzucht, godsdienst als camouflage, als huichelarij, als schijnheiligheid, daar is Jezus van Nazareth fel tegen te keer gegaan.  Precies omdat hij iemand was die werkelijk, dat is van binnenuit, van God hield, iemand die mensen lief had.
Dat beeld van een opgewonden Jezus,die de tempel reinigt, dat is de negatieve kant van iemand die volkomen echt was, iemand die geen schijn ophield, in wie geen spoor van huichelarij was.
Hij hield van mensen die hij ontmoette en bij wie hij diezelfde eerlijkheid, die zelfde echtheid vond.
Als Nathanaël naar hem toekomt, zegt hij zelfs nog voor de ander een woord gesproken heeft: 'Daar heb je nu een Israëliet in wie geen bedrog is'.(Joh. 1 :47).
En als hij in de tempel een weduwe ziet die in de offerkist twee penningen heeft gelegd zegt hij: 'Ze heeft er meer in geworpen dan al die anderen, want ze gaf alles wat ze bezat, alles waarvan ze leven moest'. (Lucas 21: 3-4)  De echtheid van dit offer heeft hem getroffen.

Er zijn wat mij betreft twee dingen die Jezus van Nazareth zo geloofwaardig en zo betrouwbaar maken.
Het eerste is zijn concentratie op wat in een mensenleven in laatste instantie de kern, het wezenlijke is: dat is zijn nadruk op wat hij het grootste en eerste gebod heeft genoemd: Die. liefde tot God en tot de mens die uw naaste is. (Marcus 12: 28-34)
En hij deed dat zelf nog ook.  Want dat is het tweede: de echtheid die hem kenmerkte.  Er was. geen bedrog in hem.
Omwille van die twee dingen is er altijd -en dat wil zeggen in elke tijd- veel kans dat iemand die werkelijk op zoek is, bij hem terecht komt. Vroeg. of laat.
Amen.

Marcel Heyndrikx SVD
 

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.