B jaar

4e ZONDAG VAN DE ADVENT (B)  -  20 en 21 december 2008.

II Samuël 7:  1 - 5; 8b-12/14a 16.
Lucas 1:  26 - 38.

Zusters en broeders,

'Kom maar eens kijken waar ik woon'.

Iemand die je hebt leren kennen, geleidelijk aan iets beter, zegt dat misschien op een bepaald moment tegen u: 'Kom maar eens kijken waar ik woon.'

Hij of zij laat je dan binnenkomen.  Iets van zijn privacy geeft hij op, iets van zijn eigen domein stelt hij voor u open.  Want waar iemand woont en hoe iemand woont, dat zegt iets over hem.  Het maakt op een eigen manier iets duidelijk van wie iemand is.

Naar aanleiding van de twee lezingen van vandaag ben ik terecht gekomen bij de vraag: En waar woont God?

Ik vind in de Bijbel drie antwoorden op die vraag.

I Het eerste antwoord luidt: God woont in zijn eigen huis, Joden en heidenen zijn het daar zonder aarzeling met elkander over eens.  Hij woont in de tempel.  En vermits er op dat moment in Israël nog geen tempel is, wil David er één gaan bouwen.  Zo staat het daar in de eerste lezing van vandaag.

Dat gaat dan wel niet onmiddellijk door maar de zoon van David, Salomon, zal inderdaad voor God een tempel bouwen.

Van dan af is die tempel van Jerusalem de plaats waar God woont.  Hij is het zichtbaar teken van Gods aanwezigheid bij zijn volk.  God zelf noemt de tempel dan ook: 'mijn huis'. (Jesaja 56: 7; Haggai 1: 9 ;Zacharia 1: 16 )  En de gelovige Israëliet is met hart en ziel een tempel-mens.  In psalm 122 zingt hij: 'Wat was ik verheugd toen men mij zeide: Wij trekken op naar Jahweh's huis.' (Ps. 122: 1 )  En in een andere psalm staat er: 'Gelukkig die in uw huis mag wonen.'  'Waarachtig, één dag in uw voorhoven is beter dan duizend dagen elders.' (Ps. 84: 1 en 11).

Toch was er van in het begin een zekere aarzeling, met betrekking tot de tempel dit eerste huis van God.  AI bij de inwijding van de tempel zegt koning Salomo: 'Zou God werkelijk op aarde wonen?  Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten.  Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb.' (I Koningen 8: 27)  Later, bij de profeet Jesaja, komt die gedachte terug. (Jesaja 66: 1)  En dat loopt uit op wat Stefanus zegt in de Handelingen van de Apostelen: 'De allerhoogste woont niet in wat door mensenhanden gebouwd is.' (Hand. 7: 48).

II.           In het evangelie van vandaag is er dan ook sprake van een heel andere woning, een heel ander huis van God.

In plaats van te wonen in een gebouw zegt de engel die aan Maria de boodschap brengt: in dit kind dat uit u geboren zal worden, zal God wonen te midden van de mensen.  In plaats van te wonen in een heiligdom, zal de Heilige, geprezen zij zijn naam, wonen in dit kind dat daarom 'heilig' genoemd zal worden. (Lucas 1:35)

De laatste van de evangelisten Johannes, zegt, nadenkend over Jezus van Nazareth en zijn betekenis: 'In hem heeft God zijn woonplaats gevestigd onder ons.' (Johannes 1:14 )  Daar sluit bij aan wat Paulus schrijft aan de mensen van Colosse: 'In hem heeft God in heel zijn volheid gewoond.'(Col. 1:19 )

Dat God in hem zijn woning op aarde heeft gebouwd, dat is het wat wij bedoelen als wij in onze geloofsbelijdenis bidden: 'Ik geloof in de menswording van de Drie-eenheid in hem.'

III.          In de Bijbel is er nog sprake van een derde huis van God.  Dat wonen van God in Jezus van Nazareth heeft als het ware nog een vervolg.  God woont niet alleen in hem, Hij woont ook in mensen die zich voor Jezus van Nazareth en zijn boodschap open stellen.  In het evangelie volgens Johannes zegt Jezus: 'Als iemand mij liefheeft, dan zullen de Vader en ik tot hem komen en wij zullen ons verblijf bij hem vestigen.' (Johannes 14: 23)  En over de heilige Geest, de derde persoon van de Drie-eenheid, zegt Jezus dat hij een andere helper zenden zal, de heilige Geest, die bij hen zal blijven voor eeuwig. (Joh. 14: 16)  Vader, Zoon en Geest, ze wonen bij mensen in, zegt de evangelist Johannes.  En daarom bidden wij in onze geloofsbelijdenis eveneens: 'Ik geloof in de menswording van de Drie-eenheid in ons.'

Zoals er staat in een nieuw kerklied: 'Want in de mensen wilt Gij wonen, met hart en ziel aan ons getrouwd. ( Z.J. 540).

 

Die plaats waar God woont, zegt iets over Hem.  En over ons.

Op 7 december 1965, toen het Tweede Vaticaanse Concilie naar zijn einde toe ging, hield paus Paulus VI een toespraak in de aula van de St. Pieter.

Eén van de passages in die toespraak was gericht tot de niet-gelovige humanisten.

De paus vroeg hen: 'Willen jullie tenminste geloven dat ook wij verering hebben voor de mens.  Wij hebben daar zelfs een aparte reden voor.'  Dat gaat dan eigenlijk over wat de dichter Achterberg formuleerde als 'De mens is voor een tijd een plaats van God.' (1)

Nergens komt die verering van de kerk voor de mens als woonplaats van God voor mij zo duidelijk tot uiting als wanneer wij van iemand die gestorven is in de kerk afscheid nemen.  Op het einde van die plechtigheid, tijdens de absoute, wordt het lichaam van deze dode mens bewierookt.  Wierook wordt in de kerk hoofdzakelijk gebruikt om God te vereren, maar hier wordt het dode lichaam van deze mens bewierookt, omdat het woonplaats van God is geweest.

Daarom ook staat erover die derde woning van God in de brief aan de Hebreeën geschreven: 'Het huis van God, dat zijn wijzelf.' (Hebr. 3:6; cf. I Cor. 3:16; II Cor. 3:16 ; Efes. 2:20-21).

Niet te geloven: Wij met al dat gedoe van ons, die ontoereikendheid, die armzaligheid, wij steeds weer falende mensen: huis van God, woning van de Heilige, geprezen zij zijn naam. Het zegt iets over Hem, het zegt iets over ons.

Zouden we misschien DIE komst van God in de wereld ook niet eens vieren, met Kerstmis? Amen.

 

Marcel Heyndrikx SVD

 

(1)  Achterberg Gerrit: Verzamelde gedichten .Arnsterdam, Querido, .1963, p. 922.

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.