B jaar

5e ZONDAG DOOR HET JAAR (B) - 7 en 8 februari 2009

Job 7: 1-4.6-7.
Marcus 1 : 29-39.

Zusters en broeders,

Zet ze eens bij elkaar, al die variëteiten van menselijke miserie:
De miserie van een mens die ooit in goeden doen was, maar die alles is kwijt geraakt.
De lichamelijke pijn van één die onder de huiduitslag en onder de jeuk zit.  De ellende van een vader die zijn kinderen verloren heeft.
De tragiek van een echtgenoot of echtgenote, die door zijn of haar partner niet meer wordt verstaan.
De eenzaamheid van een mens van wie zijn vrienden zeggen: het is uiteindelijk ook zijn eigen schuld.
De vertwijfeling van een mens die zich afvraagt.  God, waar heb ik dit aan verdiend? En dan is er nog het menselijk verlangen dat onvervuld blijft, en de dood die naderbij komt.
Zet ze zo eens bij elkaar, al die vormen van menselijke ellende en van menselijk verdriet, en kleef er een naam op.
Dan doe je hetzelfde dat een bijbelse auteur ooit heeft gedaan.  AI die menselijke miserie heeft hij in één persoon samengebracht en hij heeft die man Job genoemd.
En die figuur, die man Job, is de geschiedenis in gegaan.  Hij is ondermeer gaan wonen in de taal.  Het Grote woordenboek van de Nederlandse taal (Van Dale) heeft weet van een jobsgeduld, een jobstijding, een jobsgezicht en een jobsvriend.
Die Job: die kom je tegen in de eerste lezing van vandaag.

In de Middeleeuwen is er iets speciaals met hem gebeurd.
Ze hebben die symbolische figuur dan herkend in één die wél historisch heeft bestaan.  Ze herkenden Job in de lijdende mens Jezus van Nazareth.  In hun kunst hebben de middeleeuwers hem uitgebeeld in een figuur die de geschiedenis is ingegaan als de 'Christus op de kouden steen'.
Om een Engelse uitdrukking te gebruiken: In hun identificatie van Jezus van Nazareth met Job hadden de Middeleeuwers wel een punt.

I.     Want al heel vroeg herkende de Jonge Kerk de Christus in de figuur die voorkomt
bij de profeet Jesaja en die de dienaar van Jahweh wordt genoemd.  Het lijden van die man is zo groot, dat hij ook 'man van smarten' heet. (Jesaja 53:3)
En een vroegchristelijke hymne die in de brief aan de mensen van Philippi werd opgenomen, sluit daar bij aan. (Phil.2: 5 - 11)  Oosterhuis vertaalde die opnieuw en zegt over deze man van smarten: 'Hij trok het lijden aan en droeg het als een lam'. (1)
Al het menselijk leed: de lichamelijke pijn van één die gefolterd werd, het onbegrip van een gezondene wiens boodschap niet werd aanvaard, de eenzaamheid van een mens die door één van zijn vrienden werd verraden en door de rest werd in de steek gelaten: dat maakt dat men Job heeft herkend in Jezus van Nazareth.
Hij is in het lijden gaan staan, hij trok het lijden aan zoals je een kledingstuk aantrekt.  Dat is de eerste relatie van Jezus van Nazareth met het lijden van de mensheid.  Haar lijden was ook dat van hem.
II.     Maar de evangelies hebben weet van nog een andere, een tweede relatie van Jezus met betrekking tot het lijden.  Je ziet die tweede relatie onderandere in het evangelie van vandaag.
Je zou haar kunnen aanduiden met een tweede betekenis die de zin 'hij trok het lijden aan' kan hebben.  Dan betekent 'aantrekken' iets in de zin van wat een magneet doet die ijzer aantrekt.  In een nieuw kerklied staat er over Jezus: 'De mensen schoolden samen als vissen om hem heen'. (2)  In één van de evangelies wordt over hem gezegd: 'Men bracht alle zieken en bezetenen naar hem toe'. (Marcus 2 : 32)  Hij trok het lijden aan.  Hij is het lijden, ook het lijden van de anderen, niet uit de weg gegaan.
Hij heeft met het leed van de anderen meegeleden.  Als hij een rouwstoet ontmoet, een stoet waarin een weduwe haar enige zoon ten grave draagt, dan staat er: 'Hij had innig medelijden met haar'. (Lucas 7;13)  En als hij staat voor het graf van Lazarus wordt er over hem gezegd dat hij weende (Joh. 11: 35) en dat hij hevig werd bewogen. (Joh. 11: 38)  Het leed van mensen heeft hij met hen gedeeld.
En steeds weer wordt er verteld dat hij mensen heeft genezen.  Dat had zelfs voorrang, op de religieuze rust van de sabbat. (Lucas 4: 31 - 35; Lucas 13 : 10-17)

III     Hij heeft het leed gedragen en hij heeft het leed bevochten.  En precies daardoor heeft hij nog iets anders gedaan. Door zijn eigen houding met betrekking tot het lijden, heeft hij een spoor getrokken, waarin anderen, eeuwen later en eeuwen lang, op hun manier en in hun leven, met het leed zijn omgegaan.
Ze hebben zich in hun leed, met zijn leed verbonden gevoeld.  In het onbegrip dat zij ondervonden, of in de eenzaamheid die hun deel was, zijn eenzaamheid leren verstaan.  En ze hebben het leed van anderen gedeeld, en het zo ver ze konden, ook bestreden.
Ik ga nogal eens naar een kerkhof.  Op één van die kerkhoven die ik bezoek zijn de gasthuiszusters van een bepaalde congregatie begraven.  Ik loop die lange rijen langs, lees een paar namen hier en daar: allemaal vrouwen die als jonge meisjes in dienst van zieken zijn gaan staan, en dat een leven lang hebben voortgezet.  Door hem geïnspireerd, Jezus van Nazareth en gaande in zijn spoor.
Ze hebben op die plek iets van dat Koninkrijk van God, waar hij over sprak en dat belichaamde, zichtbaar gemaakt.  In hen was toen, naast Job, Jezus van Nazareth mensen nabij.  Amen.

Marcel Heyndrikx SVD


(1)     OOSTERHUIS H. : Verzameld liedboek (Kampen, Kok, 2004) p. 457.
(2)     OOSTERHUIS H. : Verzameld liedboek, p. 424.

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.