C jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

1e ZONDAG VAN DE ADVENT (C) - 2 en 3 december 2000

JEREMIA 33: 14-16.
LUCAS 21: 25-36.

Zusters en broeders,

Raar maar waar: er is iets in de Bijbel, en nog wel iets dat heel belangrijk is, waar ik dertig jaar lang heb overheen gelezen. Maar op een goeie dag is mijne frank gevallen. Waar de Bijbel vol van is, wat je in de Bijbel overal tegenkomt, dat is de HOOP.

De mens en de hoop, ze gaan samen, die twee. Doorheen heel de Bijbel, doorheen heel de geschiedenis. Begin bv. maar bij Abraham, de man vertrekt uit zijn land vol geloof en goede moed,vol hoop. Hoop op een kind, hoop op een eigen gebied. Of neem die Israëlieten die als slaven in Egypte verbleven. Waar zij van dromen, waar zij op hopen, dat is een soort verlossing, bevrijding uit die slavernij. En die zieken van allerlei soort die altijd te vinden zijn in de buurt van Jezus van Nazareth, worden gedreven door hoop op genezing.

Ik denk niet dat er iemand is die dat niet verstaat, al die vormen van hoop komen ons bekend voor.

Maar in de Bijbel duikt er nog een heel andere vorm van hoop op. Een hoop, een verwachting, die over grenzen heengaat. Over de grens van deze wereld, over de grens van de tijd, over de grens van dit leven. Vooral het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring van Johannes, is daar vol van. In het allerlaatste vers van dit laatste Bijbelboek wordt er gebeden dat die nieuwe wereld zou gaan komen. Daar wordt gebeden 'Maranatha: kom, Heer Jezus'.

'Moment', zeggen of denken wij bij onszelf, 'stop eens even', is dat geen illusie? Een wensdroom, kinderlijke fantasie? Begrijpelijk hoor, daar niet van. Met al dat leed, dat onrecht, dat kwaad van allerlei soorten -je zou al van minder gaan dromen van een ander leven in een betere wereld.

Maar wij volgen niet meer. Wij zijn realisten. We blijven met onze twee voeten op de grond. Een andere wereld, een beter leven, een leven na de dood -verwachten doen wij dat eigenlijk niet. Niet echt.

 

En zo zitten wij hier dan vandaag, luisterend naar de lezingen van de eerste Zondag van de Advent. Waarin het nu juist gaat over die hoop op een leven dat aan de overkant ligt, aan gene zijde van ons leven, van onze wereld, van onze geschiedenis.

Neem nu dat evangelie van vandaag. Daarin wordt verteld hoe onze wereld in een reeks catastrofen ten onder gaat. En over iemand, een gezondene van God, die over onze wereld en onze geschiedenis een oordeel uitspreekt. Het laatste,het definitieve oordeel, een oordeel waarin recht en slecht, goed en kwaad, worden uiteen gehaald. Een oordeel waarin de dingen -en de mensen- worden recht gezet.

 

Om met dit verhaal eventueel nog iets te kunnen doen, zullen we minstens twee vragen moeten stellen.

1. De EERSTE VRAAG is deze:

Wat geloofden die mensen die dit verhaal vertelden of voort vertelden nu eigenlijk? We zijn nogal makkelijk geneigd om te denken dat ze dit beschouwden als een letterlijke beschrijving van wat er inde toekomst zal gebeuren. Maar dat is een vergissing.

Wat over de rand ligt van deze wereld en van deze tijd, kunnen wij mensen niet kennen. Zij net zo min als wij. En ze wisten dat. Er zijn teksten in de Bijbel waarin dat uitdrukkelijk wordt gezegd. Aan de christenen van Corinthe schrijft Paulus bv : 'Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geen menselijke verstand is opgekomen, wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben'. (I Kor. 2:9) En in een van de brieven die op naam staan van Johannes wordt er gezegd: 'Het is nog niet bekend wat wij zullen zijn'. (I Joh. 3:2)

Daarom is dat verhaal in het evangelie, over het einde van de wereld, geen beschrijving maar een beeld. Een manier, waarop ze zich de toekomst proberen voor te stellen. Wat wij soms vergeten is, dat er in de Schrift nog vrij veel andere beelden zijn - andere voorstellingen van die toekomstige wereld en van die toekomstige tijd.

Bij de profeet Jesaja bv wordt de toekomst voorgesteld in het beeld van een totale en blijvende vrede. Er staat daar geschreven: 'Dan smeden ze hun zwaarden tot ploegijzers om, en hun lansen tot sikkels en niemand oefent zich nog voor de oorlog'. (Jes. 2: 4-5)

Jesaja breidt die vrede zelfs uit tot de dieren. Hij zegt: 'De wolf zal dan geen schaap meer verslinden en de leeuw vreet gras als een rund'. (Jesaja 11: 6-9)

Een wereld van vrede - dat is een ander beeld van de toekomst.

Nog andere beelden vind je in het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes.

De toekomst wordt daar voorgesteld als een stad, maar dan een heel andere, een ideale stad, Jerusalem, maar een heel nieuw Jerusalem. Zo nieuw dat het niet meer van deze aarde is. Die stad komt van boven, ze daalt vanuit de hemel neer. En wordt er gezegd,ze is zo mooi als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. (Openb. 21:2)

Weer een ander beeld van de toekomst is dit: God schept een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Daar zal geen geween meer zijn, geen rouw, geen smart. En dan volgt er een ontroerend beeld: God wist alle tranen uit hun ogen. (Openb. 21:4)

Heb je dat al eens gedaan bij een volwassen mens - de tranen wegwissen uit zijn of haar ogen? Heb je dat al eens mogen doen? Het is het mooiste beeld van een leven dat over onze grenzen ligt dat ik ken: God wist alle tranen uit hun ogen. Jammer dat we deze tekst nooit lezen in de Advent. 

Die bijbelse mensen hebben dus heel veel beelden waarin ze zich dat leven in de toekomst voorstellen. Het zijn geen letterlijke verhalen. Het zijn pogingen om zich daar iets onder voor te stellen, onder datgene waar het eigenlijk, waar het echt om gaat. Dat er toekomst is, dat er hoop is, over alle grenzen heen, tot over die laatste grens, de grens van de dood.

 

2. Zo bekeken: indrukwekkend, die beelden, en ontroerend soms. Maar waar steunt dat op, die hoop, op een leven aan gene zijde, op een leven aan de overkant?

In de joods-christelijke traditie steunt die hoop op wat de kern zelf is van hun geloof. Die hoop steunt op hun geloof in God, zoals die zich in hun geschiedenis aan hen heeft geopenbaard.

Er wordt in de Bijbel verteld dat Mozes aan God heeft gevraagd wie Hij eigenlijk is. Dat wordt zo verteld: Mozes vroeg aan God naar zijn naam. De naam van iemand is voor hen niet zomaar een etiketje. De naam van iemand geeft volgens hen precies weer, wie of wat die persoon eigenlijk is.

Mozes vraagt daarmee dus iets onmogelijks. God is zo groot, dat een mens Hem niet echt kan kennen. Wij kunnen geen naam van Hem kennen die precies bij Hem past. Je kunt het water van de zee nu eenmaal niet in een vingerhoed doen. De vingerhoed van een mensenverstand.

Maar God heeft Mozes niet zonder mee weggestuurd. God heeft aan Mozes zoiets doorgegeven als een plaatsvervangende naam. Dat is een naam die zegt wat mensen van Hem mogen verwachten. Hoe ze Hem zullen leren kennen, in hun geschiedenis. God zegt: Mijn Naam bij jullie, mijn Naam voor jullie luidt: Ik zal er zijn.

En ieder die gelovig geweest is in het kader van die joods-christelijke traditie, heeft die Naam serieus genomen. Hij zal er zijn, in alle situaties, tot in de dood, en daar nog overheen: Hij zal er zijn.

Daarop, op Hem, op zijn Naam, is hun hoop gebouwd.

 

Dat heeft nu in de Bijbel een merkwaardig gevolg. Je komt in de Bijbel, die eigenlijk meer een bibliotheek is dan een boek, alles tegen, alles wat in het leven van de mensen maar voor kan komen. Oorlog en vrede, verrukking en verdriet, trouw en verraad. Ge vindt in de Bijbel het hele gamma, het gamma ook van het menselijk falen. Iemand die de Bijbel goed kent heeft eens geschreven: 'Vertel de Bijbel, dat illusieloze boek, iets over mensen'. (1) De Bijbel, je vindt er alles in. Op één uitzondering na. Er is één ding wat je in heel de Bijbel niet zult vinden. En dat is: de wanhoop.

Dat wil niet zeggen dat er in de Bijbel geen mensen rondlopen die wanhopig zijn. Judas is er een voorbeeld van. Maar het is niet de Bijbel die zegt dat er voor Judas geen hoop, geen toekomst meer is. Het is Judas die dat zegt. Judas die de hoop opgeeft, die het leven opgeeft, die zichzelf opgeeft.

Voor de Bijbel kun je dat niet doen, de hoop opgeven. Want dan geef je je geloof op in Hem die heeft gezegd: Ik zal er zijn.

Eeuwen later, eeuwen nadat dit bijbelse verhaal geschreven werd, heeft er iemand een loflied op deze God gedicht: Te Deum laudamus, U,God, loven wij.

Hij moet zijn Bijbel goed gekend hebben, want hij eindigt zijn lied met deze zin: 'In Te, Domine, speravi, non confundar in aeternum'. 'Mijn hoop heb ik op U gesteld en ik zal niet voor schut komen te staan. Nog in geen eeuwigheid'.

Amen. Marcel Heyndrikx SVD

(1) OOSTERHUIS H. : Zien soms even. Fragmenten over God. Bilthoven,Ambo, 1972,197 pp. , p. 60.

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.