C jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

1e ZONDAG VAN DE ADVENT (C) 2 en 3 december 2006

1e lezing: Jeremia 33: 14-16.
Evangelie: Lucas 21: 25-28; 34-36.

Zusters en broeders,

'Voorspellen is heel moeilijk, vooral als dat de toekomst betreft.' Het schijnt één van de grote Duitse natuurkundigen uit de vorige eeuw te zijn geweest, van wie deze humoristische uitspraak afkomstig is.

Het was niet toevallig een natuurkundige die dit zei. De natuurkundigen uit de generatie voor hem, hadden zich namelijk aan zo'n soort voorspelling van de toekomst gewaagd. Die voorgangers waren van mening dat een student die iets nieuws wilde ontdekken, beter geen natuurkunde ging studeren. Want op hun vakgebied, dachten ze, waren er geen nieuwe ontdekkingen meer te verwachten. En laat het nu uitgerekend in die volgende periode wemelen van fundamentele ontdekkingen: Albert Einstein, Niels Bohr, Max Planck en Werner Heisenberg, ze deden belangrijke ontdekkingen. Het is dan ook geen wonder als één van hen, achteromkijkend, een beetje spottend zei: 'Voorspellen is heel moeilijk, vooral als het de toekomst betreft'.

Maar de auteurs van de twee lezingen in de liturgie van vandaag schijnen zich daar niets van aan te trekken. Zowel Jeremia, als Lucas, spreken over zaken die in de toekomst liggen. Wat Lucas betreft gaat het dan nog wel over de uiteindelijke, de alles beëindigende toekomst. Het gaat bij hem over het einde van de wereld.

Dat einde wordt geschilderd in donkere kleuren: er heeft een volkomen ontreddering van de kosmos plaats: Er is sprake van aardbevingen, verduistering van de zon, sterren die van de hemel vallen. De zee buldert, mensen besterven het van schrik. En in dat kader verschijnt er dan iemand die er uit ziet als een mens, hij wordt een kind van mensen, een zoon van de mensen genoemd. Hij verschijnt met macht en met majesteit, wordt er gezegd. Hij komt om de wereld te oordelen. Wat doe je daar nu allemaal mee?

Wanneer je er over nadenkt hebben wij met dit verhaal over het einde van de wereld dezelfde moeilijkheden als die welke wij als gelovigen heel lang hebben gehad met de bijbelse verhalen over de schepping, over het begin van de wereld dus. Onze problemen komen daar vandaan, dat wij geneigd zijn om te denken dat het hier om beschrijvingen gaat, een soort reportages over wat er aan het begin van de wereld is gebeurd, en over wat er aan het einde van de wereld gebeuren zal.

Wat de Bijbelse verhalen over het begin van de wereld betreft is het ons ondertussen wel duidelijk geworden dat die geen beschrijving zijn van wat er daar is gebeurd. Daarover weet de Bijbelse auteur niets. Hij weet niets van een oerknal bv. en evenmin van evolutie. Dat zijn dingen die behoren tot het terrein van wetenschappelijk onderzoek, en dat is niet het domein van de Bijbel. Dat heeft zowel de affaire met Galilei als een betere kennis van de Bijbel zelf ons geleerd. Als de Bijbel iets zegt over het begin van de wereld en het ontstaan van de mens, dan wil hij daarover een religieuze boodschap meegeven. Hij wil iets zeggen over de bedoeling van God met mens en wereld. En hij giet dat dan in de vorm van verhalen die weergeven hoe de mensen in zijn tijd zich de oorsprong van de wereld voorstelden.

Dat zelfde geldt ook voor de verhalen van bv de evangelisten over het einde van de wereld. Het zijn verhalen, beelden en symbolen, die op geen enkele manier willen zeggen hoe dat einde van de wereld precies in zijn werk zal gaan. Daarover weet de bijbelse auteur niets, net zo min als hij iets wist over de manier waarop de wereld is ontstaan. Hij weet bv niets over een mogelijke warmte- of koudedood van ons heelal. Daarin is hij ook niet geïnteresseerd. Hij wil een godsdienstige visie geven op een godsdienstige boodschap over dat einde van de wereld. En hij kleedt die in, in een vorm die in zijn tijd gangbaar was. We kennen die vorm ook uit andere Bijbelboeken, uit het boek Daniël bv. of uit de Openbaring van Johannes. Het is een manier om een boodschap over te brengen. Met een beschrijving van wat er precies gaat gebeuren heeft het niets van doen. Daar kan en daar wil de Bijbelse auteur ook niets over zeggen. Maar waar gaat het dan wel over? Wat wil hij dan wel zeggen over het einde van de wereld -hoe dat er dan ook mag uitzien?

Je kunt die boodschap denk ik in drie zinnen samenvatten.

1° Er is toekomst. De wereld zal niet op een zinloze manier te onder gaan. God heeft met dat einde iets te maken, zoals Hij ook iets had te maken met het begin van de wereld. Dat wordt in het verhaal uitgedrukt door de wolk of de wolken, waarop een Mensenzoon verschijnt. De wolk is in de bijbel het symbool voor God en voor zijn verschijning in de wereld. Zo wordt de aanwezigheid van God bij de uittocht uit Egypte voorgesteld door een wolk die met de Israëlieten meegaat (Numeri 9: 15-22)

De wolk die in het verhaal van Lucas aanwezig is, betekent dat God met dat einde iets te maken heeft. 'God staat aan het begin en Hij komt aan het einde', zo vat de dichter Jan Wit dit stukje van de boodschap samen. (Zingt Jubilate nr. 541).

2° Die toekomst houdt verband met Jezus van Nazareth en zijn boodschap. Dat wordt uitgedrukt in de Mensenzoon die in dat verhaal verschijnt.

3° De toekomst heeft iets te maken met het heden, waarin wij leven. Dat komt tot uitdrukking in de verwijzing naar het Rijk van God. Over de komst van dat Rijk zegt Jezus: Dat Rijk van God is nu al aanwezig, het is er midden onder u. (Lucas: 17: 20-21 ) Maar als je weet dat dat Rijk van God een samenleving is van gerechtigheid; van barmhartigheid en van dienstbaarheid, dan weet je ook dat daar onder ons nog niet zo heel veel van te zien is. Het begin is gemaakt, dat wel. En het wordt zelfs telkens weer opnieuw gemaakt onder ons en door ons .Het is aanwezig in een versluierde vorm. Maar aan het einde zal het in volheid doorbreken. Er staat:'Als je dit alles ziet gebeuren, weet dan dat het Rijk van God nabij is'. (Lucas 21 : 31 ).

Alles wat nu al gebeurt met betrekking tot het uitbouwen van dat Rijk Gods, dat is al aanloop en aanzet van die toekomst.

Een andere evangelist, Mattheüs, heeft dat verband tussen wat wij nu doen, en waarover dat oordeel op het einde van de wereld zal gaan, in een parabel uitgedrukt. Hij vertelt dat de Mensenzoon die komt om te oordelen dat oordeel laat afhangen van de manier waarop wij ons hebben gedragen ten opzichte van onze medemens in zijn of haar nood. De Mensenzoon die wordt voorgesteld als een rechter identificeert zichzelf met noodlijdende mens: Hij zegt: Ik was naakt en gij hebt mij gekleed. (Mattheüs 25: 31- 46) Ik had honger, ik was een vreemdeling, ik was ziek, ik was in de gevangenis. Van de manier waarop wij hier en nu met de minste mens zijn omgegaan, hangt het oordeel dat over ons aan het einde van de tijd wordt uitgesproken af. Hoe dat oordeel in zijn werk zal gaan, hoe het er uit zal zien, weten we niet. Maar dat heeft ook geen belang. Wij weten, zoals iedereen dat weet, dat wij op weg zijn naar het einde. Wij weten nog iets meer. Wij weten wat ons te doen staat. De Joodse filosoof Emmanuël Levinas sprak over 'le visage de I'autre qui m'appelle et qui me juge'. Het gelaat van de ander dat mij oproept en mij oordeelt. In de oproep die uitgaat van een medemens die in nood is, is ons een wegwijzer meegegeven. En wegwijzers zijn heel nuttig, vooral die naar de toekomst toe.

Amen.

Marcel Heyndrikx SVD

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.