C jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

2e ZONDAG VAN DE ADVENT (C) - 6 en 7 december 2003.

1e Lezing Baruch: 5: 1 - 9.
Evangelie Lucas: 3: 1 - 6.

Zusters en broeders,

1. "De hoop van de profeet Baruch": het zou de titel kunnen zijn van een homilie op deze Zondag

Baruch en zijn stad Jerusalem zaten met een wonde die niet dicht ging. Stad en land werden namelijk geregeld door vijandelijke troepen veroverd. Dat gebeurde bij voorbeeld in 606 in 598, in 587 voor Christus. En telkens werden grote groepen burgers vanuit de stad in ballingschap weggevoerd. Dat was de meest efficiënte manier om opstanden te voorkomen.

Maar zoiets slaat natuurlijk wonden in een volk. Ge hoort dat naklinken in een zin uit de eerste lezing van vandaag. De profeet zegt daar tot Jerusalem: Uw kinderen werden door uw vijanden weggesleept.

Bij die situatie sluit nu de hoop van Baruch aan. Zijn hoop is niet gebouwd op een leger, op bongenoten of op een gunstige wending van het lot. Baruch steunt op de God van Israel, niet meer of niet minder, die God,die hen ooit uit Egypte bevrijd heeft. Hun God die gezegd heeft dat Hij er altijd zal zijn. Dat is zelfs zijn naam. (Exodus 3:14)

Vanuit dat vertrouwen op die God zegt Baruch tot Jerusalem :
"Schep moed, ga boven op een hoge berg staan en ge zult het zien -uw kinderen komen van alle kanten naar u toe. Ze komen terug in een feestelijke stoet. God zelf zal er voor zorgen dat de wegen voor hen geëffend zijn. Hij brengt hen thuis, ze keren zingend weer."

Baruch ziet dat in een visioen. Baruch, profeet van de hoop.

Zoals Baruch, zo waren ze allemaal, de profeten van Israël. Ze konden schelden en dreigen als het volk weer eens ontspoord was, als het de wet van God niet meer onderhield, als het de armen de weduwen en de wezen uitbuitte. Maar hun boodschap eindigde uiteindelijk bij allemaal zoals die van Baruch eindigt: Met een visioen van de toekomst, met een boodschap van God dat Hij hen niet aan hun lot zou over laten. Of met een variant daarop zoals in het evangelie van vandaag:
" Heel de wereld zal Gods redding zien ."

Zowel het Jodendom als het christendom hebben een grondkleur. Dat is de kleur van de hoop.

2. Maar die hoop krijgt het hard te verduren .

Ze botst, soms frontaal soms zijdelings, op drie dingen:

- Ze komt in botsing met de tijd, ze moet het uithouden tegen de lange duur. In de brief aan de Hebreeën wordt er gezegd over de gelovigen van vroeger: "In geloof zijn ze allen gestorven zonder te krijgen wat God hun beloofd had. Maar uit de verte hebben ze het gezien en begroet." (Hebr. 11 : 13) Uit de verte, ja. De eerste tegenstander van de hoop is de lange duur.

- De tweede tegenstander van de hoop zijn feiten en gebeurtenissen die gelovige mensen overkomen, en die precies het tegendeel zijn van wat ze hopen. In plaats van de doorbraak van het verhoopte komt de vernietiging ervan. Neem nu Jezus van Nazareth en zijn leerlingen. Ze hopen op de komst, op de doorbaak van het Rijk van God. Bij het begin van zijn optreden in Israël zegt Jezus zelfs dat die doorbraak van Gods Rijk nabij is. Maar drie jaar later hangt hij te sterven aan een kruis. Doorbraak van Gods rijk? Doorbaak van heel iets anders, overwinning van al die krachten die niets van dat Rijk moeten hebben. En de leerlingen van Emmaüs hoor je zeggen "Wij hadden zo gehoopt." (24:21)

De vernietiging van de verwachtingen, dat is de tweede tegenstander van de hoop.

- De derde tegenstander van de hoop komt niet van buiten, die komt van binnen, van diep in jezelf. Vragen die in je opkomen, twijfels, innerlijke verscheurdheid. Geloof ik dat nu nog? Is het echt? Is het geen wensdroom? Zelfbedrog ? Die stemmen zijn er altijd wel geweest, maar ze waren buiten je. Soms komt er een tijd dat ze naar binnen slaan. Zo ligt de hoop van drie kanten onder vuur. Zo was dat en zo is het nog.

3. Als een mens zo door dit brandend vuur is gegaan: het vuur in de tijd, na de teleurstelling van de twijfel, wat gebeurt er dan met de hoop?

Met haar kunnen er dan twee dingen gebeuren:

+ De hoop kan worden losgelaten.

Er zijn mensen die geven haar op. Anderen vinden van hen, en misschien vinden ze dat ook van zichzelf, dat ze hun verstand gebruiken.

Ze zien dat er niets van komt. Ze zijn teleurgesteld, ze worden misschien een beetje cynisch. Ze zeggen dat het allemaal geen zin heeft. Er zijn er veel die dat zeggen tegenwoordig: dat het leven geen zin heeft. Dat die vraag naar de zin van het leven een zinloze vraag is. Ze richten zich hier in zo goed en zo kwaad als het gaat. Illusieloos, toekomstloos. Maar leven zonder hoop is ook niet alles. Sociologen vragen zich af hoe het komt dat wij het nog nooit zo goed hebben gehad, en er toch zoveel verzuring is onder ons. Het kon wel eens te maken hebben met het verlies van de hoop.

+ Maar er kan met de hoop ook nog iets anders gebeuren: ze kan worden uitgezuiverd.

Er zijn mensen die door al wat ze hebben meegemaakt alle concrete invullingen van de hoop loslaten, of ze toch tussen haakjes zetten. Maar de hoop zelf, die laten ze niet los. Je ziet hen vasthouden aan wat al bij Baruch de kern van de hoop was: ze houden vast aan God, ze blijven geloven in zijn trouw. Ze weten nu niet meer precies welke inhoud of welke vorm datgene wat ze hopen zal aannemen. Ze weten dat alle concrete invullingen van de hoop maar beelden zijn. Ze hebben wellicht bij Paulus gelezen: "Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en het is in geen mensenhart opgekomen wat God bereid heeft voor wie Hem lief hebben." (I Kor.2:9)

Op die manier is hun hoop uitgezuiverd. Wat ze vasthouden is niet hun eigen verlangens, hun eigen wensdromen, hoe dierbaar die ook zijn. Ze houden zich vast aan die Ander, aan de Heilige, geprezen zij zijn Naam. De protestantse filosoof Paul Ricoeur noemde dat: de tweede naïviteit. Dat is de houding van de mens die de eerste naïviteit verlaten heeft, die door twijfel en door kritiek is heengegaan, en die aan de overzijde van kritiek en twijfel terecht is gekomen. En die nu zegt: en toch .. Hij blijft de oude beelden gebruiken, maar hij heeft er weet van dat het beelden zijn.

Die uitgezuiverde hoop is nooit mooier verwoord dan in psalm 73. Daar wordt gezegd:

Bij U, ik ben altijd bij U
Gij houdt mij vast
uw hand in mijn hand
Alles zult Gij ten goede leiden
Gij voert mij mee in uw raadsbesluit
Wat is de hemel voor mij zonder U?
Wat moet ik op aarde, als Gij niet bestaat?
Al wordt mijn lichaam ook afgebroken,
al sterft mijn hart,
Gij zijt mijn Rots.
mijn God, de toekomst die op mij wacht. (Ps. 73 : 23 - 26) (1)

De dichter Charles Péguy schreef bijna honderd jaar geleden een gedicht over de hoop. Er zijn in dat gedicht een paar regels die bijzonder bekend zijn geworden. Ze luiden als volgt:

"Wat mij het meest verwondert, zegt God is de hoop."
"Het geloof dat mij het meeste lief is, is de hoop ".

Om die hoop overeind te houden, om die hoop te voeden, is het Advent. Wordt het elk jaar opnieuw Advent.

Amen

Marcel Heyndrikx SVD

(1) OOSTERHUIS H.-VAN DER PLAS M.: 50 Psalmen. Utrecht, Ambo, 1957, 87 pp., p.37.

(2) PEGUY CH.: Le porche du mystère de la deuxième vertu. Paris, Gallimard , pp. 15 - 23. Nederlandse vertaling in Tijdschrift voor Geestelijk Leven, 1957 (3) nr. 1 , pp. 117- 123. Vertaling M. Hensen.

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.