C jaar

Deze site is een tijdelijke oplossing om de preken van Marcel bereikbaar te maken. Klik op een link, om de desbetreffende preek te lezen. Sorry, de opmaak van de preken is nog niet in orde.
Indien u de preek op een klein scherm wil lezen, komt de preek niet naast, maar onder de reeks linken. U zal dus naar beneden moeten scrollen.

2e ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD (C) - 6 en 7 maart 2004.

1e lezing: Genesis 15: 5 - 18.
Evangelie: Lucas 9: 28 - 36

Zusters en broeders,

I. Er is in het evangelie één vraag die telkens weer terugkeert. Die vraag luidt als volgt: Wie is dat eigenlijk, die man uit Nazareth ?

Ga het maar eens na, bv. in het evangelie volgens Lucas.
Daar zijn het de mensen uit zijn eigen dorp, uit Nazareth die als eersten die vraag stellen. Jezus heeft op een sabbat het woord gevoerd in hun synagoge. En ze vinden het knap van hem. Verbaasd en nieuwsgierig vragen ze zich af: 'Is dat niet de zoon van Jozef, de zoon van de timmerman?' (Luc. 4: 22 )

Vervolgens is het Johannes de Doper, die vanuit de gevangenis via zijn leerlingen aan Jezus laat vragen: 'Ben jij het nu de Messias die wij verwachten, of ben je het niet?' (Luc. 7: 20) Die vraag komt in het evangelie verderop nog geregeld terug. (Luc. 7:49; 8:15) Zelfs Herodes vraagt zich op een bepaald moment af: ' Wie is die man toch, over wie ik al die verhalen hoor? ' (Lucas 9:9)

Het evangelie van vandaag, over de gedaanteverandering van Jezus op de berg, wil op die vraag een antwoord geven.(1)

 

II. Aan dit verhaal gaat bij Lucas namelijk een passage vooraf, waarin Jezus zelf aan zijn leerlingen die vraag stelt: 'Wie zeggen de mensen dat ik ben?' En dan vraagt hij verder: 'En jullie, wie ben ik volgens jullie?'

Op die vraag heeft een van Jezus leerlingen wel geantwoord; Petrus natuurlijk. Die heeft daarop gezegd: 'Gij zijt de Messias, de man die door God naar ons toe is gezonden ' (Luc.9:20)

Dat lijkt een prima antwoord. Een antwoord waar Petrus grote onderscheiding voor verdient. Maar er hapert iets aan. Want wat Petrus zich onder de Messias voorstelt, dat is heel iets anders dan wat hij met Jezus zal zien gebeuren. Voor Petrus is de Messias, de man die met onweerstaanbare kracht, met goddelijke kracht Israël zal bevrijden, het koningschap van Israël zal herstellen, en zelfs de hele schepping nieuw zal maken.

Als er in dat beeld van de Messias iets niet past, als er iets is wat Petrus zich niet kan indenken, dan is het dat deze Messias het onderspit zou delven, dat hij gemarteld en gefolterd ter dood zou worden gebracht. Dat ziet Petrus echt niet zitten.

Het verhaal over Jezus' verheerlijking op de berg is bedoeld als een correctie op het antwoord dat Petrus heeft gegeven op de vraag: Wie is Jezus van Nazareth. Het verhaal over de gedaanteverandering heeft de vorm van een visioen. Een visioen wordt door Van Dale als volgt omschreven: 'Een innerlijk gezicht, van profetische of mystieke aard, dat als iets bovennatuurlijks ervaren wordt'.

Dit soort visioenen komt meer voor in de Bijbel. In de eerste lezing van vandaag bv. daar is er sprake van een visioen van Abraham. Vooral na Jezus' verrijzenis tref je in het evangelie visioenen aan. Van Maria van Magdala en de vrouwen bij het graf, van Petrus en Johannes, en van die twee die op weg waren naar Emmaus. Het is zoiets als: 'Zien, soms even' (2)

Wat wordt er nu in dat verhaal over Jezus' gedaanteverandering zichtbaar? Zichtbaar gemaakt wordt daarin wie Jezus van Nazareth eigenlijk is. De vraag naar Jezus' identiteit krijgt in dat visioen een drievoudig antwoord.

Het eerste antwoord ligt vervat in de personen die in dat visioen rondom Jezus komen staan: Mozes en Elia. Mozes is de man van de Wet, de man aan wie God op een andere berg, op de Sinai, de tien geboden heeft gegeven. En Elia is de vertegenwoordiger van de profeten. Dat zij Jezus in hun midden nemen is een symbool. Het betekent dat zij hem herkennen als de grootste van hen.

Hij is hun middelpunt. Hij komt hun werk als het ware voltooien. Dat sluit aan bij iets wat volgens Mattheüs Jezus zelf ooit heeft gezegd: 'Denk niet dat ik gekomen ben om Wet en Profeten af te schaffen, ik ben gekomen om ze te vervullen'. (Mattheüs 5 : 17) Dat is het eerste antwoord op de vraag wie Jezus is.

Het tweede antwoord ligt vervat in het onderwerp waarover Mozes en Elia met hem spreken. Ze hebben het, zegt Lucas, over zijn uittocht. Het woord uittocht riep voor elke Jood de herinnering op aan het begin van Israel als volk. De uittocht was de tocht, weg uit de slavernij in Egypte, de tocht doorheen de woestijn naar het land van Gods belofte. Aan die uittocht zat echter een donkere schaduw vast: tijdens die tocht van 40 jaar was Israel regelmatig aan God ontrouw geweest: Israël had toen voor zichzelf een god gemaakt, een gouden kalf.

De Israëlieten hadden God op de proef gesteld, ze hadden hun door God geschonken leider soms tot wanhoop gedreven. De uittocht van Israel werd door de ontrouw van het volk jegens God verduisterd. Die nieuwe uittocht, waar Mozes en Elia met Jezus over spreken, is zijn tocht doorheen het lijden en doorheen de dood. Die uittocht van Jezus zal de uittocht van Israël goed maken. Want in die uittocht, door lijden én dood heen, zal Jezus van Nazareth in ongebroken trouw aan God vasthouden

Dat is het tweede antwoord op de vraag wie Jezus van Nazareth is.

Het derde antwoord op de vraag wie Jezus is wordt in dit verhaal gegeven door de stem die tot de leerlingen spreekt vanuit de wolk. De wolk is in de bijbel het symbool van Gods aanwezigheid. Die stem zegt over Jezus: 'Hij is mijn zoon, mijn bijzonder geliefd kind'.

Met het eerste en het laatste antwoord hadden de apostelen geen moeilijkheden. Wat voor hen onbegrijpelijk bleef was het tweede antwoord: een Messias die lijden zou en in de dood ten onder gaan, het had voor hen iets van een absurditeit. Ook al werd er bij gezegd dat hij langs die weg dat nieuwe land van Gods belofte, het land van zijn heerlijkheid zou binnengaan.

 

III. En waarom lezen wij nu dit verhaal vandaag? I k denk om twee redenen. De eerste reden is dat het antwoord dat hier gegeven wordt op de vraag wie Jezus is, nog altijd geldig is: elke tijd moet zijn eigen antwoord geven op de vraag wie Jezus is. En in sommige tijden moet misschien wel elke gelovige dat doen. Maar dat antwoord zal toch steeds weer neerkomen op een vertaling van het antwoord dat hier is gegeven. De tweede reden waarom wij dit verhaal lezen houdt verband met de liturgische tijd waarin we zitten, de veertigdagen tijd. De tijd waarin wij nadenken over de weg die Jezus van Nazareth is gegaan. De leerlingen toen hadden moeite met die weg, een weg die door het lijden en de dood van de Messias heen liep. De leerlingen nu hebben nog steeds moeite met lijden en dood. Misschien niet met het lijden en de dood van de Messias maar met het lijden en de dood van mens en dier. Die zijn tot vandaag een struikelsteen en een ergernis, voor wie gelooft en voor wie niet gelooft.

Het lijden wordt niet uitgelegd, niet in dit visioen en ook niet ergens anders in de bijbel. Maar in dit visioen zijn er met betrekking tot het lijden wel twee dingen van belang.

Het eerste is dat er hier een weg gewezen wordt, een weg die door lijden en dood heen voert. Die weg wordt aangegeven door de stem die spreekt vanuit de wolk en die tot Jezus' leerlingen zegt: 'Luistert naar hem' Dat betekent: ga de weg die hij gegaan is en je zult uitkomen waar hij uitkwam: dat is in de wereld van de verheerlijking, in de wereld van het licht.

Dat is dan het tweede dat er in dit verhaal wordt gezegd: dat het lijden niet iets zinloos is, niet een soort doodlopende weg. Het gaat ergens naar toe. Dat wordt uitgedrukt in een symbool, het symbool van de stralend witte kleren waarin Jezus gestalte verschijnt. Zijn uittocht is tegelijk een intocht. Een intocht in een nieuw, een ander land. Het land van het licht.

Bij het visioen van de verheerlijkte Jezus sluit er in het laatste boek van de bijbel een ander visioen aan, het visioen waarin nu niet alleen Jezus, maar ook de mensen die Jezus zijn gevolgd verschijnen. Ze verschijnen daar zoals Jezus zelf in het verhaal van vandaag verschijnt: ze verschijnen er met hem, in het wit gekleed. Ze zijn hem gevolgd in hun uittocht, in hun trouw aan God. En ze zijn uitgekomen waar hij uitkwam: ze leven waar hij leeft, ze leven in het licht. (Openb. 7: 13- 17)

Nawoord:
Hooggestemd allemaal?
Ongetwijfeld. Een mens, ge moet er misschien wel op uw tenen voor gaan staan. Weet in dat geval dat er ook het volgende is overgeleverd. Een joodse rabbi zei tot zijn zoon: 'Bedenk, mijn zoon, het moest eens waar zijn'.

Amen

Marcel Heyndrikx SVD

(1) 'Binnen deze samenhang gaat het eigenlijk om het juiste antwoord op de vraag naar de identiteit van Jezus' (SCHILLEBEECKX E.) Evangelieverhalen .(Baarn, Nelissen, 1982, 246 pp. ;p. 80).

(2) Cf. OOSTERHUIS H. : Zien soms even .Bilthoven., Ambo, 1972, 198 pp

© Marcel Heyndrikx - Iedereen mag deze preken en teksten gebruiken mits ze vrij en gratis voor iedereen toegankelijk blijven.